Moeder krijgt eenhoofdig gezag over Katya Leendertz

Ten aanzien van het ouderlijk gezag over de minderjarige
Ingevolge artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of van een van hen het gezamenlijk gezag, bedoeld in artikel 1:251a BW, beëindigen indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Alsdan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over het kind toekomt. In het tweede lid van artikel 1:253n BW is bepaald dat het eerste en derde lid van artikel 1:251a BW van overeenkomstige toepassing zijn.
Uit het dossier en het verhandelde ter zitting is de rechtbank gebleken dat door de ouders al geruime tijd geen invulling wordt gegeven aan de uitoefening van het gezamenlijk gezag, waarmee is voldaan aan de criteria van artikel 1:253n BW.
De rechter kan het verzoek tot beëindiging van het gezamenlijk gezag op grond van artikel 1:251a BW toewijzen indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of indien wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
De rechtbank stelt voorop dat als uitgangspunt dient te gelden dat het in het belang van een minderjarige is dat ouders gezamenlijk het ouderlijk gezag over die minderjarige uitoefenen. Voor de uitvoering van gezamenlijk gezag is in het belang van de minderjarige vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen.
Zoals hiervoor vermeld is gebleken dat door de ouders al geruime tijd geen invulling wordt gegeven aan de uitoefening van het gezamenlijk gezag. De ouders kunnen in het geheel niet (meer) met elkaar communiceren en hebben geen rechtstreeks contact meer met elkaar. Zij zijn al jarenlang in juridische procedures verwikkeld, waarbij zowel in Nederland als in het buitenland talrijke geschillen tussen de ouders worden uitgevochten. Een en ander heeft er onder andere toe geleid dat de man op 27 mei 2009 de minderjarige, die haar hoofdverblijfplaats heeft bij de moeder in Nederland, van school heeft opgehaald en haar heeft meegenomen naar de woonplaats van de man in de Verenigde Staten van Amerika.
Tussen de ouders is over en weer sprake van een zeer diep geworteld wantrouwen, dat bij de man vooral ontstaan is door het feit dat hij de afgelopen jaren niet of nauwelijks contact met de minderjarige heeft kunnen krijgen, en bij de vrouw met name ook door de recente medeneming van het kind door de man. Als gevolg van dit wederzijdse wantrouwen en de afwezigheid van directe communicatie, zijn de ouders niet meer in staat tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening.
De rechtbank is van oordeel dat er -wanneer gezamenlijk gezag zouden worden voorgezet én aan dat gezamenlijk gezag invulling zou moeten worden gegeven- aan de belangen van de minderjarige wordt voorbijgegaan en dat beëindiging van het gezamenlijk gezag derhalve anderszins in het belang van de minderjarige is, zoals bedoeld in artikel 1:251a BW.
Daarbij komt dat uit het verhandelde ter zitting en de stukken volgt dat beide partijen voortzetting van het gezamenlijk gezag feitelijk niet wensen. Immers, de moeder vraagt in deze procedure het eenhoofdig gezag en de vader heeft in de Verenigde Staten van Amerika eveneens het eenhoofdig gezag verzocht. De vader heeft in Nederland een procedure gestart teneinde de beslissing van de Amerikaanse rechter -waarin de vader met het eenhoofdig gezag over de minderjarige is belast- door de Nederlandse rechter te laten erkennen.
De rechtbank zal het gezamenlijk gezag van partijen dan ook beëindigen.
Rechtbank Arnhem, 3 mei 2010, LJN
BM3109