Wat is het rechtsgevolg van het niet betalen van een voorschotbedrag ten behoeve van een door de rechter benoemde deskundige?

Art. 196 lid 2 Rv bepaalt dat wanneer een partij het voorschot niet binnen de daarvoor gestelde termijn voldoet, de rechter daaruit de gevolgtrekking kan maken die hij geraden acht. De wetsgeschiedenis vermeldt als toelichting:

“Als een partij verzuimt tijdig een opgelegd voorschot te voldoen, zal dit in veel gevallen betekenen dat het nodig geachte deskundigenbericht niet verkregen wordt. De rechter zal bij de verdere behandeling van de zaak aan het feit dat dit het gevolg is van een verzuim van een der partijen, ten nadele van die partij rekening mogen houden. Had het deskundigenbericht betrekking op een feitelijke kwestie die partijen verdeeld houdt, zoals bijvoorbeeld de vraag naar de oorzaak van de verontreiniging van een bepaald stuk grond, dan zal de rechter derhalve in beginsel uitgaan van de juistheid van het standpunt van de andere partij. Niet geheel uitgesloten is echter dat de nodige duidelijkheid ook langs andere weg, door van de nalatige partij afkomstig bewijsmateriaal, kan worden verkregen. Met de formulering dat de rechter uit een verzuim van een partij de gevolgtrekking zal maken die hij geraden acht, kan tot redelijke resultaten worden gekomen.”

Naar reeds volgt uit zowel tekst als wetsgeschiedenis van de bepaling, heeft de rechter de bevoegdheid – niet de verplichting – om aan het niet voldoen van het voorschot een hem passend voorkomende sanctie te verbinden. Men denke aan een sanctie “op maat” in de sfeer van stelplicht, bewijsrisico of proceskostenveroordeling. Over de door de rechter getroffen sanctie kan in cassatie niet worden geklaagd. Waar de klacht de stelling impliceert dat de sanctie op het niet betalen van het voorschot door een partij categorisch moet zijn het in rechte als vaststaand aanmerken van de feitelijke stellingen van de wederpartij, berust zij op een onjuiste rechtsopvatting. Datzelfde geldt voor de subsidiaire stelling dat een afwijkende beslissing moet worden gemotiveerd. Deze stellingen druisen immers in tegen de duidelijke strekking van art. 196 lid 2 Rv.

Parket bij de Hoge Raad 4 september 2015, ECLI:NL:PHR:2015:1718

Uiteindelijk werd het cassatieberoep verworpen op de grond van het bepaalde in artikel 80a RO. Hoge Raad 30 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3199