Tot wanneer kan hoger beroep worden in gesteld tegen een echtscheidingsbeschikking?

Zoals de Hoge Raad in zijn beschikking van 15 juli 1986, nr. 7052, LJN AC4267, NJ 1987/933 heeft vooropgesteld, heeft het tot stand komen van een echtscheiding ingrijpende rechtsgevolgen op velerlei gebied, zowel voor partijen als voor de rechtspositie van derden, en moet met het oog daarop bij het bepalen van het tijdstip waarop de echtscheiding tot stand komt, grote betekenis aan de eisen van de rechtszekerheid worden toegekend, zodat een uitleg die afbreuk zou doen aan de rechtszekerheid die de voor de vaststelling van dit tijdstip relevante voorschriften beogen, dient te worden vermeden.

Met het oog daarop moet art. 1:163 lid 3 aldus worden uitgelegd dat, indien tegen een beschikking houdende echtscheiding hoger beroep is ingesteld, die beschikking eerst 'in kracht van gewijsde gaat' in de zin van genoemd artikellid (zodat de daar bedoelde zesmaandentermijn een aanvang neemt) nadat de appelbeschikking in kracht van gewijsde is gegaan, ook in de gevallen dat het hoger beroep wellicht te laat is ingesteld. De beslissing van de appelrechter dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is omdat het te laat is ingesteld, brengt derhalve niet mee dat de zesmaandentermijn reeds is gaan lopen toen de appeltermijn naar de (latere) vaststelling van de appelrechter was afgelopen. Zulks strookt ook met art. 360 Rv., inhoudende dat de werking van een voor hoger beroep vatbare beschikking wordt geschorst door het hoger beroep daartegen (behoudens het hier niet aan de orde zijnde geval dat de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard), welke regel ook geldt indien het hoger beroep naar het oordeel van de appelrechter niet-ontvankelijk is.

Hoge Raad 22 oktober 2010, LJN: BN1258