Partneralimentatie en lotsverbondenheid. Geweldadige vrouw krijgt toch alimentatie aangezien er sprake is van een psychische stoornis.

De kern van het hoger beroep betreft de vraag of de vrouw zich zodanig kwetsend en grievend heeft gedragen tegenover de man dat van lotsverbondenheid, de grondslag van de onderhoudsverplichting van ex-echtgenoten, geen sprake (meer) is.

Het hof stelt voorop dat bij de beantwoording van de vraag of aan de gewezen echtgenoot een uitkering voor het levensonderhoud moet worden toegekend, en zo ja tot welk bedrag, rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. Hieronder zijn ook te verstaan niet financiële omstandigheden, zoals gedragingen van de onderhoud verzoekende gewezen echtgenoot. Er kan sprake zijn van feiten en omstandigheden van een zodanige aard dat van een gewezen echtgenoot in redelijkheid niet of niet ten volle kan worden gevergd aan het levensonderhoud van de ander bij te dragen. De lotsverbondenheid die door het huwelijk is ontstaan en ook na de beëindiging van het huwelijk doorwerkt, kan in zo'n situatie niet langer gelden als grondslag voor de onderhoudsverplichting.

De enkele constatering van grievend gedrag jegens de onderhoudsplichtige van de degene die alimentatie verzoekt, leidt er niet zonder meer toe dat de lotsverbondenheid niet langer aanwezig is. In het algemeen dient terughoudendheid te worden betracht bij de beoordeling of zich in een concreet geval een zodanige situatie voordoet, mede gelet op het onherroepelijke karakter van een beëindiging dan wel matiging van de alimentatieverplichting. Voorts dient bedacht te worden dat het op zichzelf niet ongebruikelijk is dat een relatiebreuk dan wel echtscheiding gepaard gaat met de nodige emoties. Niet iedere vorm van wangedrag dan wel grievend gedrag is daarom aanleiding om de onderhoudsverplichting te matigen.

Tot zover de bekende jurisprudentie. In deze zaak ging het om een kennelijk gewelddadige relatie waarbij de vrouw psychotisch was en haar gedrag mogelijk door een geestesziekte was ingegeven. Hoe zit het dan?

De vrouw heeft naar het oordeel van het hof met haar gewelddadige gedrag jegens de man en de kinderen de grenzen van het toelaatbare verre overschreden. Het gedrag van de vrouw heeft voorts de nodige impact gehad op het dagelijkse leven en de gemoedsrust van de man en de kinderen. Ter zitting heeft de man in dit verband opgemerkt dat het einde van het huwelijk een hel is geweest en dat er toen sprake was van een onhoudbare situatie.

Anders dan de man is het hof evenwel van oordeel dat het gedrag van de vrouw niet zodanig grievend is geweest, dat in redelijkheid niet meer van de man kan worden gevergd om nog bij te dragen in het levensonderhoud van de vrouw. Het hof acht van belang dat het gedrag van de vrouw blijkens de stukken verband houdt met haar psychiatrische stoornis, zich uitend in (chronische) psychotische belevingen, en dat deze stoornis ook reeds tijdens het huwelijk bestond. Tot op zekere hoogte maakt de psychiatrische stoornis dus onderdeel uit van het gezamenlijke verleden van partijen. Ook op zichzelf beschouwd acht het hof de aan de vrouw verweten gedragingen niet ernstig genoeg om aan te nemen dat een einde is gekomen aan de lotsverbondenheid van partijen.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 18 juni 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:4495