Partijen zijn gehuwd op huwelijkse voorwaarden. Kan de vrouw de woning terugnemen op grond van artikel 61 lid 4 Fw.

Partijen zijn op 5 augustus 2000 buiten gemeenschap van goederen gehuwd,

Voor het huwelijk was de vrouw rechthebbende geworden op een appartementsrecht. Voor de aankoop van dit appartementsrecht (in 1993) had zij een hypothecaire geldlening afgesloten voor een bedrag van € 37.285,02. In het voorjaar van 2002 heeft de vrouw het appartementsrecht verkocht voor € 115.000,-. Op 28 juni 2002 is het appartementsrecht geleverd aan de koper. In de periode tussen het tekenen van de voorlopige koopovereenkomst en de levering van het appartementsrecht heeft de vrouw, op 5 april 2002, een andere woning gekocht voor € 163.361,-. Inclusief “kosten koper” resulteerde dit in een door [appellante] te betalen bedrag van € 174.459,71. De aankoop van de woning is gefinancierd met een aflossingsvrije hypothecaire geldlening van Argenta Spaarbank N.V. ten bedrage van € 124.113,-, waarbij de man en de vrouw hoofdelijk schuldenaar zijn, en een overbruggingslening van € 51.587,84, die op 28 juni 2002 uit de opbrengst van het appartementsrecht is afgelost. Aan de hypothecaire geldlening is een levensverzekering gekoppeld, waarbij de man en de vrouw verzekerden en premieschuldigen zijn. De opbrengst van de verzekering is verpand aan Argenta en dient ter aflossing van de hypothecaire schuld. De woning is op 24 mei 2002 geleverd aan de vrouw.

Artikel 61 lid 1 Fw houdt in dat de echtgenoot van de gefailleerde alle goederen kan terugnemen die hem toebehoren en niet in de huwelijksgemeenschap vallen. Artikel 61 lid 4 Fw voegt daaraan de bijzondere regel toe dat goederen, voortgesproten uit de belegging of wederbelegging van aan de echtgenoot buiten de gemeenschap toebehorende gelden, door de echtgenoot kunnen worden teruggenomen mits de belegging of wederbelegging in geval van geschil door voldoende bescheiden ten genoegen van de rechter wordt bewezen. Volgens vaste rechtspraak betekent dit dat bewezen dient te worden dat de goederen door de echtgenoot in eigendom zijn verkregen èn geheel met eigen middelen zijn gefinancierd, willen zij door de echtgenoot kunnen worden teruggenomen. Wanneer de echtgenoot niet in dit tweeledige bewijs slaagt, vallen de goederen in de boedel (vgl. HR 23 mei 1924, NJ 1924, p. 817). Uit voornoemd arrest en uit HR 27 mei 1966, NJ 1966, 352 valt af te leiden dat voormelde regel ook van toepassing is indien de echtgenoten buiten iedere gemeenschap zijn gehuwd. Ook het standpunt dat genoemde bepaling slechts ziet op gevallen waarin onduidelijk is wie van beide echtgenoten rechthebbende is op het goed, vindt geen steun in het recht. De strekking van voormelde bepaling is immers dat de echtgenoot goederen waartoe hij is gerechtigd alleen dan kan terugnemen, als hij bewijst dat hij deze geheel met eigen middelen heeft verworven.

In dit geval kon niet bewezen worden door de vrouw dat zij de woning geheel met eigen middelen had gefinancierd. Over de eigendom was geen discussie. De vrouw kon de woning niet terugnemen.

Gerechtshof Arnhem, 28 juni 2011, LJN: BR2618


Noot:
Inmiddels is de wet in zoverre gewijzigd dat er thans moet worden bewezen dat het goed voor meer dan de helft werd gefinancierd met eigen middelen om het terug te nemen. Artikel 61 lid 4 Fw verwijst nu naar het bepaalde in artikel 1:95 BW. Wil men het risico vermijden dat (een deel) van het vermogen in het faillissement valt dan moet men goed oppassen bij het aanschaffen. Betaal meer dan de helft met privé vermogen. Ook het bewijs hiervan moet goed bewaard worden.