Waarderingsgrondslag eenmanszaak. Latente fiscale claims meenemen? Vermenging van privévermogen.

Ten aanzien van de waarderingsgrondslag geldt het volgende:

“ Het hof overweegt als volgt. Ondanks het feit dat een eenmanszaak geen afgescheiden vermogen heeft, is het hof van oordeel dat de waarde van een eenmanszaak (onderneming) kan worden vastgesteld. Wat de waarderingsgrondslag dient te zijn, is afhankelijk van het door partijen gevoerde debat. Indien partijen geen overeenstemming weten te vinden over de waarderingsgrondslag van de onderneming is het aan de feitenrechter voorbehouden om de waarderingsgrondslag vast te stellen. In beginsel dient bij de waardering van een onderneming te worden uitgegaan van de economische waarde. Onder een economische waarde verstaat het hof een geldstroombenadering, welke zich richt op toekomstige geldstromen, en welke rekening houdt met de tijdswaarde, verwachting en risico.”

Ten aanzien van de latente belastingclaim geldt het volgende:

“ Het hof overweegt als volgt. Partijen wensen nu te komen tot een financiële afwikkeling van de activa en passiva en niet in de toekomst. Gezien het feit dat er nu tot financiële afwikkeling dient te worden gekomen tussen partijen acht het hof het redelijk en billijk dat de fiscale claim voor het nominale percentage van 52% wordt meegenomen. Het feit dat de fiscale claim thans feitelijk nog niet behoeft te worden betaald, doet daaraan niet af. Voor partijen bestaat te allen tijde het risico dat korte tijd na de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden een fiscale claim alsnog wordt gerealiseerd.”

Ten aanzien van het vermengde vermogen geldt het volgende:

“ Het hof overweegt als volgt. Onbestreden is dat de investeringen in het maatschapvermogen en de voormalige echtelijke woning zijn gedaan van een gemeenschappelijke rekening, althans van een rekening die door meerdere bronnen werd gevoed. Het bedrag van de schenking op deze rekening is vermengd met andere gelden, zodat de geschonken bedragen niet meer behoren tot het privévermogen van de vrouw. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw dan ook niet aannemelijk gemaakt dat de hiervoor vermelde vermogensbestanddelen door haar uit privévermogen zijn gefinancierd. Het hof gaat er derhalve van uit dat de goederen behoren tot het te verrekenen vermogen.”

De volledige uitspraak van het gerechtshof kunt u hier teruglezen: Gerechtshof ’s-Gravenhage, 18 januari 2012, LJN:BY0223