Vordering tot opschorting alimentatie voorlopige voorzieningenprocedure afgewezen

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de man een spoedeisend belang heeft bij deze voorziening in kort geding. De man stelt immers dat hij niet kan en daarom niet zal betalen waardoor er een reële kans bestaat dat de vrouw tot executie over zal gaan.

Met betrekking tot de vorderingen van de man onder I en II overweegt de voorzieningenrechter dat voor schorsing van de executie van een beschikking slechts plaats is indien de executant, mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad, geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dit zal het geval kunnen zijn indien de te executeren beschikking klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na de beschikking voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard. De man stelt dat door de executoriale verkoop van de aandelen en de bankrekening een noodtoestand aan zijn zijde zal ontstaan. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter treft dit betoog geen doel. De man heeft immers niet gesteld of aangetoond dat er na de beschikking in de voorlopige voorzieningenprocedure feiten zijn voorgevallen of aan het licht gekomen zijn waardoor de tenuitvoerlegging van deze beschikking de door hem gestelde noodtoestand zal doen ontstaan. Overigens is het ook nog maar de vraag of er zich inderdaad een noodtoestand zal voordoen, gelet op de gemotiveerde betwisting hiervan door de vrouw. Daarnaast heeft de man ook niet gesteld dat de beschikking in de voorlopige voorzieningenprocedure een juridische of feitelijke misslag bevat.

Voorts oordeelt de voorzieningenrechter dat de vrouw een in redelijkheid te respecteren belang heeft bij de executie. De man heeft al een half jaar geen geld meer aan haar en de kinderen betaald en hen aan hun lot overgelaten. De vrouw heeft enkel een bijstandsuitkering en heeft meerdere malen geld moeten lenen om het hoofd boven water te kunnen houden. Thans ziet zij zich daarom genoodzaakt om van haar executiebevoegdheid gebruik te maken.
Hierbij overweegt de voorzieningenrechter dat de man de stellingen van de vrouw dat hij sinds eind mei niets meer heeft betaald, terwijl hij zelf niets tekort komt, dure boodschappen doet en afgelopen zomer nog op vakantie is geweest, niet heeft betwist. Ook is hij niet ingegaan op de suggestie van de vrouw ter zitting dat hij zijn deel van de levensverzekeringen zou kunnen gebruiken voor het betalen van de achterstallige alimentatie.

De man stelt dat de vrouw ook op andere vermogensbestanddelen beslag zou kunnen leggen. De voorzieningenrechter deelt deze mening echter niet. Hij is van oordeel dat van de vrouw niet kan worden verwacht dat zij beslag legt op de voormalige echtelijke woning. De vrouw woont daar immers nog met de kinderen en het is nog onzeker wat er met de woning gaat gebeuren in verband met de toekomstige verdelingsprocedure. Ook de auto en de levensverzekeringen komen hiervoor niet in aanmerking. Afgezien van het feit dat de vrouw de auto zelf gebruikt en recht heeft op de helft van de waarde van de verzekeringen, zal executoriale verkoop hiervan maar weinig opleveren, in verhouding tot het bedrag aan achterstallige alimentatie.

Overigens is de voorzieningenrechter van oordeel dat het argument van de man dat er een grote kans bestaat dat de alimentatiebedragen, na het deskundigenonderzoek in de echtscheidingsprocedure, aanzienlijk worden verlaagd, geen hout snijdt. Het is immers ook mogelijk dat de alimentatiebedragen gelijk blijven of zelfs worden verhoogd. Duidelijkheid hierover kan enkel door het deskundigenonderzoek worden verschaft en thans kan hierover enkel nog worden gespeculeerd.

Ten aanzien van de vorderingen van de man onder III en IV is de voorzieningenrechter van oordeel dat een partiële verdeling op grond van de wet niet is toegestaan. Nu gebleken is dat de vrouw de voormalige echtelijke woning niet wil verkopen en er nog geen verdeling heeft plaatsgevonden kan niet van haar worden geëist dat zij hieraan meewerkt zoals de man vordert.

Gelet op bovenstaande overwegingen zal de voorzieningenrechter de vorderingen van de man afwijzen.

Rechtbank Almelo 13 december 2010, LJN: BO7272