Ontheffing uit de ouderlijke macht van een moeder met een ernstige en langdurige persoonlijkheidsstoornis

Het hof is van oordeel dat de moeder mede vanwege haar psychiatrische problematiek pedagogisch onmachtig en ongeschikt is om haar plicht tot verzorging en opvoeding ten aanzien van [de minderjarige] te vervullen. De moeder is eerder niet in staat gebleken [de minderjarige] een veilige opvoedingssituatie te bieden. Zij heeft geen inzicht in het effect van haar handelen en wat dit betekent voor [de minderjarige]. Vanwege haar persoonlijke problematiek is zij niet bij machte dit te veranderen en te reflecteren op haar gedrag. Nu de moeder tot op heden geen behandeling wenst te ondergaan voor haar problematiek, dit ook in de toekomst niet te verwachten is en het hof ook overigens niet is gebleken van feiten of omstandigheden die kunnen leiden tot een ander beeld over de pedagogische vaardigheden van de moeder, is het hof van oordeel dat er gegronde vrees bestaat dat [de minderjarige] bij een terugplaatsing naar de moeder wordt bedreigd in haar ontwikkeling. Daarbij komt dat de opvoeding van [de minderjarige] de draagkracht van de moeder te boven zal gaan, gezien de specifieke problematiek van beiden. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat aan alle wettelijke vereisten voor een ontheffing van het gezag wordt voldaan. Het vorenstaande leidt tot een bekrachtiging van de bestreden beschikking.

Gerechtshof 's-Gravenhage, 17 maart 2010, LJN BM5025