Draagkracht stiefvader ten onrechte niet berekend

Het gerechtshof 's-Gravenhage had in de bestreden uitspraak het volgende overwogen:

"Verdeling tussen de ouders
(...)
10. Het hof overweegt als volgt. Indien beide ouders na de scheiding een inkomen hebben dat hoger is dan de bijstandsnorm voor een alleenstaande - hetgeen in de onderhavige zaak het geval is - worden in beginsel de kosten van de minderjarigen over de ouders verdeeld naar rato van draagkracht, waarbij het hof de partijen als alleenstaanden beschouwt en het daarbij behorende draagkrachtpercentage hanteert.

Draagkracht van de moeder
11. Op basis van de in het geding gebrachte financiële gegevens overweegt het hof, evenals de rechtbank, dat de moeder geen draagkracht heeft, zodat niet van haar verwacht kan worden dat zij bijdraagt in de behoefte van de minderjarigen. Het hof merkt hierbij op dat het inkomen van de huidige echtgenoot betrokken is bij het inkomen van de vrouw, door het halveren van de woonlasten aan haar zijde. Gelet op het vorenstaande komt de vastgestelde behoefte van de minderjarigen aan een kinderbijdrage van € 585,- per maand volledig ten laste van de vader, voor zover zijn draagkracht dat toelaat."

Bij de Hoge Raad werd terecht geklaagd over het feit dat de draagkracht van de stiefvader niet zelfstandig was vastgesteld:

Het middel klaagt terecht dat het hof in zijn rov. 10 en 11 blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting door in zijn beoordeling niet de draagkracht van de echtgenoot van de vrouw te betrekken. Het hof heeft immers vastgesteld dat de man zich op de ingevolge art. 1:395 BW bestaande onderhoudsplicht van de echtgenoot van de vrouw heeft beroepen, zodat diens draagkracht voor de verdeling van de onderhoudsverplichtingen tussen de man en de vrouw niet buiten beschouwing kon worden gelaten, zoals het hof klaarblijkelijk heeft gedaan. Weliswaar heeft het hof het inkomen van de echtgenoot van de vrouw in aanmerking genomen, doch, naar uit de desbetreffende overweging van het hof blijkt, alleen bij de bepaling van de woonlasten van de vrouw en dus slechts in het kader van de beoordeling van haar draagkracht.

Hoge Raad 26 november 2011, LJN: BN7055