Wrakingsverzoek toegewezen. Onvoldoende gelegenheid gegeven om verweer toe te lichten alvorens voorlopig oordeel te gegeven.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel van artikel 36 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering en artikel 6 van het (Europees) Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij vooringenomen is, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is.

Er zijn geen feiten en/of omstandigheden gesteld dan wel gebleken op grond waarvan thans geoordeeld dient te worden dat sprake is van persoonlijke
vooringenomenheid van de gewraakte rechter jegens verzoeker. Te onderzoeken staat vervolgens of de aangevoerde of overigens naar voren gekomen omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, niettemin een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees dat de gewraakte rechter jegens hem een vooringenomenheid koestert, objectief gerechtvaardigd is. Daarbij moet
bovendien rekening worden gehouden met de (te vermijden) schijn van partijdigheid.

Voorts moet vooropgesteld worden dat het de behandelend rechter geenszins verboden is om in voorkomende gevallen ter zitting een voorlopig oordeel te geven over de uitkomst van de zaak. Een voorlopig oordeel over de inhoud van de zaak vormt immers op zich geen aanwijzing dat de rechter jegens een procespartij vooringenomen is. De omstandigheid dat de rechter, zoals in het onderhavige geval, dit voorlopige oordeel geeft in een poging een procespartij te bewegen tot samenwerking met de andere procespartij, levert evenmin een dergelijke aanwijzing op, laat staan – zoals mr. Koopman heeft betoogd – dat dit misbruik van gezag zou opleveren. Het voorgaande laat evenwel onverlet dat, voordat de rechter ter zitting een voorlopig oordeel geeft, een procespartij voldoende de gelegenheid moet hebben gehad om zijn verzoek toe te lichten, zeker als het voorlopige oordeel inhoudt dat dit verzoek onvoldoende is onderbouwd. Op zich heeft mr. Rijnbout terecht opgemerkt dat een verzoeker zijn standpunt reeds in het verzoekschrift dient te onderbouwen, maar in een verzoekschriftprocedure hebben partijen ook ter zitting tot op zekere hoogte de mogelijkheid hun verzoek nader te onderbouwen, zeker als er verweer tegen het verzoek is gevoerd. Weliswaar heeft mr. Rijnbout aan het begin van de zitting aan (de advocaat van) verzoeker een vraag gesteld met betrekking tot gezag, maar uit het proces-verbaal van die zitting blijkt niet dat verzoeker voorafgaand aan het door mr. Rijnbout gegeven voorlopige oordeel de gelegenheid heeft gekregen om in te gaan op het verweer en een nadere toelichting op het verzoek te geven. Naar het oordeel van de wrakingskamer rechtvaardigt deze gang van zaken de conclusie van verzoeker dat de schijn van partijdigheid is gewekt en daarmee de vrees dat de rechter jegens hem vooringenomenheid zou kunnen koesteren.

Rechtbank Midden-Nederland 21 juli 2015, ECLI:NL:RBMNE:2015:5836