Vervangende toestemming afgifte reisdocument

Ingevolge artikel 34 lid 1 Paspoortwet wordt bij een aanvraag van een reisdocument door of ten behoeve van een minderjarige een verklaring van toestemming overgelegd van iedere persoon die het gezag over die minderjarige uitoefent. Ingevolge artikel 34 lid 2 Paspoortwet kan, indien een van die personen weigert een verklaring van toestemming af te geven, die toestemming worden vervangen door een verklaring van de bevoegde rechter. Ingevolge artikel 34 lid 5 van de Paspoortwet geeft de rechter in een geschil als het onderhavige een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. De regeling van de vervangende toestemming op de voet van artikel 34 lid 2 Paspoortwet dient te worden aangemerkt als een regeling van het ouderlijk gezag bij geschillen tussen de ouders, zoals neergelegd in artikel 1:253a BW (vgl. HR 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3070).

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de vader met name bezwaar heeft tegen het verlenen van toestemming tot het verstrekken van een eigen paspoort aan [de minderjarige] , omdat bij hem de vrees bestaat dat de moeder, als zij naar Marokko gaat, niet terug zal keren naar Nederland en/of dat zij [de minderjarige] zal laten besnijden in Marokko.

In hoger beroep heeft mr. Stork namens de moeder met betrekking tot deze bezwaren van de vader onder meer verklaard dat de moeder enkel met vakantie naar Marokko wil om [de minderjarige] kennis te laten maken met haar grootouders. De moeder vindt het belangrijk voor [de minderjarige] dat zij haar familie leert kennen en de grootouders kunnen niet zelf naar Nederland komen.

Het hof constateert op basis van de stukken en hetgeen ter zitting is aangevoerd het volgende. De moeder is toen zij één jaar oud was, naar Nederland gekomen. Zij is in Nederland opgegroeid, heeft hier een opleiding gevolgd en heeft hier een baan. Het grootste gedeelte van de familie van de moeder woont in Nederland. Ter zitting in hoger beroep heeft de vader erkend dat de moeder tijdens hun relatie meermalen tegen hem heeft gezegd "dat zij niets heeft met Marokko".

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat er geen concrete aanwijzingen zijn dat de moeder met [de minderjarige] naar Marokko zal vertrekken teneinde zich daar blijvend te vestigen. Dat de ouders van de moeder een (familie)huis in Marokko hebben, zoals de vader stelt, maakt dit - wat daar verder ook van zij - niet anders.

Daarnaast is het hof van oordeel dat er evenmin concrete aanwijzingen naar voren zijn gekomen dat de moeder voornemens is [de minderjarige] te laten besnijden in Marokko. Dat de vader in het algemeen heeft vernomen dat vrouwenbesnijdenis (nog) wel plaatsvindt in Marokko, acht het hof onvoldoende.

Het hof acht het in het onderhavige geval begrijpelijk dat de moeder [de minderjarige] aan haar grootouders wil laten zien. Het komt het hof dan ook in het belang van [de minderjarige] wenselijk voor dat zij met haar moeder mee kan op vakantie naar Marokko.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 4 augustus 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:6068