Bij de berekening van de behoefte van de vrouw houdt het hof geen rekening met het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop aangezien deze inkomensondersteuning slechts een aanvullend karakter heeft.

Gelet op voornoemde uitgaven becijfert het hof de totale netto behoefte van de vrouw op € 1.449,- per maand. In de beschikking van de Hoge Raad van 9 oktober 2015 ECLI:NL:HR:2015:3011 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop aangemerkt moeten worden als inkomensondersteuning. Op basis van voormelde beschikking van de Hoge Raad moet deze inkomensondersteuning bij het netto inkomen van de vrouw worden opgeteld. Door de inkomensondersteuning wordt dus in beginsel de behoefte van de vrouw lager, dit is een mogelijk indirect effect van de beschikking van de Hoge Raad. Het ontvangen van partneralimentatie is van invloed op de omvang van het verzamelinkomen en dus op de hoogte van het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop. Een verlaging van het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop heeft weer een effect op de aanvullende behoefte aan partneralimentatie. Er ontstaat als het ware een cirkel berekening die niet te doorbreken is. Uit de beschikking van de Hoge Raad van 27 januari 1995 NJ 1995/295 volgt dat gezien de aanvullende aard van de huursubsidie deze subsidie bij de berekening van haar netto behoefte hiermee geen rekening moet worden gehouden. Nu het kind gebonden budget en de alleenstaande ouderkop eveneens een aanvullend karakter hebben houdt het hof bij de berekening van de behoefte van de vrouw geen rekening met deze inkomensafhankelijk inkomensondersteuning. Rekening houdende met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting bedraagt de bruto behoefte van de vrouw € 1.807,- bruto per maand.

Gerechtshof Den Haag 27 januari 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:116