Is het slaan van kinderen een reden voor ondertoezichtstelling?

Op grond van artikel 1:254 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gezinsvoogdij-instelling indien de minderjarige zodanig opgroeit dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of gezondheid ernstig worden bedreigd en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen.
Ten aanzien van de vraag of het handelen van de ouders tot een ontwikkelingsbedreiging voor de kinderen leidt, overweegt de rechtbank als volgt.
Uit de in het Raadsrapport genoemde wetenschappelijke onderzoeken komt een consistent beeld naar voren, namelijk dat kinderen uit gezinnen waar geweld als patroon in de opvoeding wordt gehanteerd een verhoogd risico hebben op het ontwikkelen van klinisch significante gedragsemotionele problemen. Gedragskenmerken bij de kinderen die slachtoffer zijn van fysieke kindermishandeling kunnen zich onder meer uiten in vijandig, agressief en dominant gedrag. Dit gedrag is ook vastgesteld bij de kinderen in deze zaak.
Ondanks het feit dat de ouders hebben aangegeven de kinderen niet meer te slaan en de school heeft bevestigd dat er geen zorgen meer zijn volgt toch ondertoezichtstelling. Reden hiervoor is dat het gebrek aan openheid dat de ouders hebben gegeven, doordat zij de Raad slechts in algemene zin informatie hebben willen geven over hoe het slaan wordt toegepast en zij de Raad niet in de gelegenheid hebben gesteld tot het voeren van gesprekken met de kinderen door een deskundige, thans niet kan worden vastgesteld of deze factoren sterk genoeg zijn om de bedreiging in de ontwikkeling van de kinderen het hoofd te bieden.
Rechtbank Utrecht, 8 januari 2010, LJN
BK8714