Rechtbank stelt gebruiksvergoeding vast met ingang van de datum van inschrijving echtscheidingsbeschikking.

8.6
Gedurende de periode dat de man al dan niet krachtens de beslissing ex artikel 1:165 Burgerlijk Wetboek (BW) de echtelijke woning bewoont, mist de vrouw de mogelijkheid te beschikken over haar in die woning vastzittende vermogen, te weten de helft van de overwaarde. Dit levert een vermogensnadeel op dat kan worden gecompenseerd met een door de man te betalen gebruiksvergoeding voor die woning.

8.7.
Gelet op hetgeen door partijen is gesteld aangaande de waarde van de echtelijke woning en gelet op het feit dat in de processtukken een recent taxatierapport ontbreekt, is de rechtbank van oordeel dat het redelijk is om uit te gaan van het gemiddelde tussen de vraagprijs (€ 319.000,-) en de WOZ-waarde (€ 279.000,-), zijnde € 299.000,-. Het aandeel van de vrouw in die waarde (na aftrek van de op de woning rustende hypotheek van
€ 191.666,-) in die woning zal € 53.667,- zijn. Daarnaast acht de rechtbank het redelijk om uit te gaan van een rendement van 2% zodat een per saldo aan de vrouw te betalen vergoeding van € 1.073,- per jaar, ofwel afgerond € 90,- per maand resteert.

8.8.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw recht op een door de man te betalen gebruiksvergoeding vanaf het moment van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Vanaf dat moment gaat ook de door de man aan de vrouw te betalen definitieve partneralimentatie in waarbij rekening wordt gehouden met de gebruiksvergoeding in relatie tot de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man. In de voorlopige voorzieningenprocedure is bij de vaststelling van de voorlopige partneralimentatie met dit aspect ook geen rekening gehouden.

Rechtbank Overijssel 1 september 2015, ECLI:NL:RBOVE:2015:5789