Kinderalimentatie voorrang boven boedelafdracht WSNP II

In artikel 1:400 lid 1 BW, welk artikel met ingang van 1 maart 2009 is gewijzigd, is onder meer bepaald dat, indien een persoon verplicht is levensonderhoud te verstrekken aan twee of meer personen en zijn draagkracht onvoldoende is om dit volledig aan allen te verschaffen, zijn kinderen en stiefkinderen die de leeftijd van één en twintig jaren nog niet hebben bereikt voorrang hebben boven alle andere onderhoudsgerechtigden. Het betreft een aanscherping in de wet waarin kinderalimentatie prioriteit heeft verkregen boven andere onderhoudsbijdragen. Op grond van deze wetswijziging zijn ook de Tremanormen aangescherpt teneinde te bereiken dat een onderhoudsplichtige een groter deel van zijn draagkracht ter beschikking stelt aan de kinderen voor wie hij onderhoudsplichtig is. Gezien deze aanscherping moet aan een bijdrage ten behoeve van de verzorging en opvoeding van een minderjarig kind een hoge prioriteit worden toegekend.
Het hof is dan ook van oordeel dat een dergelijke bijdrage in beginsel dient te prevaleren boven de afdracht die in het kader van de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP) aan de boedel dient te worden verricht. Het hof constateert dat het rapport van de Werkgroep Rekenmethode van Recofa voor dit oordeel ook voldoende ruimte biedt nu in dat rapport is bepaald dat het vrij te laten bedrag vooralsnog wordt gecorrigeerd in verband met te betalen alimentatie indien geen nihilstelling kan worden verkregen. Van bijzondere omstandigheden die er toe zouden moeten leiden dat in deze geen voorrang aan de bijdrage ten behoeve van de kinderen zou moeten worden gegeven is het hof niet gebleken.
Voorts wijst het hof op de uitspraak van de Hoge Raad van 14 november 2008, waarin de Hoge Raad heeft bepaald dat aangenomen moet worden dat een alimentatieplichtige op wie de schuldsaneringsregeling van toepassing is, niet over draagkracht beschikt om een onderhoudsbijdrage te betalen, behoudens bijzondere omstandigheden, waaronder de omstandigheid dat het vrij te laten bedrag door de rechter-commissaris is verhoogd met de door de alimentatieplichtige te betalen alimentatie. Het hof is van oordeel dat in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden die afwijking van het door de Hoge Raad geformuleerde uitgangspunt rechtvaardigen.
De rechter-commissaris heeft bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag van de man geen rekening gehouden met de geldende kinderalimentatie, hetgeen niet betekent dat de rechter-commissaris niet bereid zou zijn hiermee rekening te houden. Niet duidelijk is immers geworden of de man de rechter-commissaris heeft gevraagd het vrij te laten bedrag op een hoger bedrag te bepalen, rekening houdend met de door de man verschuldigde kinderalimentatie. De man heeft de brief waaruit dit zou blijken niet overgelegd. Het hof passeert dan ook de stelling van de man dat de onderhoudsbijdrage voor [dochter A.] en [dochter B.] voor de duur van de schuldsanering van de man op nihil dient te worden gesteld, nu voor het vrij te laten inkomen van de man met die bijdrage geen rekening is gehouden.
In de onderhavige situatie acht het hof het standpunt van de rechter-commissaris evenwel niet beslissend. Vaststaat dat de afdrachten aan de boedel zodanig hoog zijn dat de op de man van toepassing zijnde schuldsaneringsregeling reeds binnen de wettelijke termijn van drie jaar zal zijn afgerond met volledige betaling van de crediteuren en de boedelkosten.
Het hof acht het zeer onbillijk jegens de kinderen van de man dat hij gedurende de schuldsanering in het geheel niet bijdraagt aan de verzorging en opvoeding danwel studie en levensonderhoud van zijn kinderen, terwijl de crediteuren volledig worden voldaan.
Ook van belang acht het hof dat circa de helft van de schuldenlast van de man gevormd wordt door schulden terzake advocaatkosten, ontstaan in het kader van de echtscheidingsprocedure van de man en de vrouw. Onder verwijzing naar het Tremarapport Alimentatienormen neemt het hof de aanbeveling over dat deze kosten in het kader van de vaststelling van kinderalimentatie tot 1 augustus 2009 slechts in zeer geringe mate en sedert 1 augustus 2009 in het geheel geen rol mogen spelen bij de vaststelling van de draagkracht.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch 12 mei 2010, LJN BM4296
Noot: Deze uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch gaat mij betreft te ver. De uitspraak van de Hoge Raad van 14 november 2008 geeft duidelijk aan dat aangenomen moet worden dat wanneer op de alimentatieplichtige de WSNP van toepassing is ervan moet worden uitgegaan dat de alimentatieplichtige niet over voldoende draagkracht beschikt. Er wordt een uitzondering gemaakt voor onder meer het geval dat de rechter-commissaris het vrij te laten bedrag heeft verhoogd met de door de alimentatieplichtige te betalen alimentatie. Reden hiervoor is dat een ieder toch het recht heeft op een zeker bestaansminimum. In deze casus is door de uitspraak van het gerechtshof geen sprake meer van het waarborgen van een bestaansminimum voor de alimentatieplichtige. De uitspraak is m.i. vatbaar voor cassatie. Waar niets is verliest de keizer zijn recht.