Waar heeft het kind zijn gewone verblijfplaats? Is inschrijving BRP beslissend?

Brussel II-bis bevat geen definitie van het begrip “gewone verblijfplaats”. Volgens vaste rechtspraak is de “gewone verblijfplaats” de plaats die een zekere integratie van het kind in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt. In de situatie van een jong kind moet daarbij in het bijzonder rekening worden gehouden met de duur, de regelmatigheid, de omstandigheden en de redenen van het verblijf op het grondgebied van die staat en van de verhuizing van de ouder naar die staat en, in het bijzonder wegens de leeftijd van het kind, met de geografische en familiale wortels van de ouder en de familiale en sociale banden die zij en het kind in die staat hebben. De rechter kan bij het bepalen c.q. het invullen van het begrip “gewone verblijfplaats” derhalve rekening houden met alle feitelijke omstandigheden van de concrete situatie. Daarmee is de invulling van de gewone verblijfplaats nauw verweven met beoordelingen van feitelijke aard. Een belangenafweging vindt plaats bij de inhoudelijke materiële beoordeling van de verzoeken.

Beslissend voor de vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is, is derhalve het antwoord op de vraag of [dochter] op 23 december 2013, de datum van indiening van het inleidend verzoek, haar gewone verblijfplaats (nog) in Nederland had.

Het hof gaat uit van de navolgende feiten en omstandigheden.
[dochter] is geboren op [geboortedatum] 2012 te [woonplaats 2] . De relatie van partijen, die nooit met elkaar hebben samengewoond, was toen al geëindigd, althans is enkele weken na de geboorte van [dochter] definitief geëindigd. De relatie van partijen kenmerkte zich door spanningen en geweld. In juli 2012 is de man veroordeeld voor (eenvoudige) mishandeling van de vrouw. De vrouw heeft in 2012 contact gezocht met diverse instanties, waaronder de politie, het Steunpunt Huiselijk Geweld en Stichting Bureau Jeugdzorg. Het agressieve en bedreigende gedrag van de man (en zijn familie) was voor de vrouw, zo stelt zij, reden om met [dochter] naar Duitsland te verhuizen, waar zij ook familie heeft wonen.
Blijkens de door de vrouw overgelegde arbeidsovereenkomst is zij sinds 1 oktober 2013 parttime werkzaam bij de rechtbank in [woonplaats 1] . Uit de eveneens overgelegde huurovereenkomst blijkt dat zij met ingang van diezelfde datum in Duitsland een huurovereenkomst heeft gesloten. De vrouw heeft verder onbetwist gesteld dat [dochter] sedertdien in Duitsland een kinderdagverblijf bezoekt. Op 22 oktober 2013 heeft de vrouw zichzelf en [dochter] ingeschreven in [woonplaats 1] , Duitsland. Op 26 februari 2014 heeft zij hen beiden uitgeschreven uit Nederland. Inmiddels is de vrouw gehuwd met een Duitse man.

Op grond van het vorenstaande concludeert het hof dat de vrouw ten tijde van de indiening van het verzoek van de man in [woonplaats 1] , Duitsland, woonde en daar werkte in een ambtelijke functie, terwijl [dochter] daar een kinderdagverblijf bezocht. Op deze gronden stelt het hof vast dat de gewone verblijfplaats van [dochter] ten tijde van de indiening van het inleidend verzoek door de man in Duitsland was en dat de Nederlandse rechter derhalve onbevoegd is om van het verzoek van de man kennis te nemen.

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 17 september 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:3608