Hoger beroep instellen tegen de echtscheiding om bijdrage tot levensonderhoud in het kader van de voorlopige voorzieningen te verlengen is misbruik van procesbevoegdheid.

Het hof overweegt als volgt. Ingevolge artikel 1:157 lid 3 Burgerlijk Wetboek kan de rechter op verzoek van één der echtgenoten een uitkering tot levensonderhoud vaststellen onder vaststelling van een termijn, die korter is dan de wettelijke termijn van twaalf jaren. Volgens vaste rechtspraak dient de rechter met die bevoegdheid evenwel terughoudend om te gaan, gelet op het ingrijpende karakter van een dergelijke vaststelling. Uit de parlementaire geschiedenis van de Wet Limitering Alimentatie blijkt dat de wetgever onder ogen heeft gezien dat hoger beroep kan worden ingesteld tegen de echtscheidingsbeschikking, uitsluitend met het doel tijd te rekken. De rechter kan zo nodig bij het bepalen van de termijn rekening kan houden met de duur van de procedure of van de voorlopige voorzieningen. De man betoogt met juistheid dat de echtscheidingsbeschikking op uiterlijk 18 maart 2014 ingeschreven had kunnen zijn in de registers van de burgerlijke stand indien geen hoger beroep tegen de echtscheidingsbeslissing was ingesteld. Gelet op hetgeen in de beschikking van 23 september 2014 onder 4.2. is overwogen, heeft de vrouw een onnodige vertraging van die inschrijving veroorzaakt. Het hof is van oordeel dat het instellen van hoger beroep tegen de door haar verzochte echtscheiding met het enkele doel de termijn van de bijdrage tot levensonderhoud die in het kader van de voorlopige voorzieningen was bepaald te verlengen, misbruik van procesbevoegdheid oplevert nog te meer daar, zoals het hof reeds in de beschikking van 23 september 2014 heeft overwogen, de vrouw het door haar gewenste effect op grond van artikel 826 lid 1, aanhef en onder c. van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ook had kunnen bereiken door uitsluitend hoger beroep in te stellen tegen de afwijzing van haar verzoek om partneralimentatie. Gevolg van het nodeloos ingestelde hoger beroep is dat de wettelijke einddatum van de partneralimentatie 22 oktober 2026 is geworden. Het hof acht deze handelwijze van de vrouw voldoende grond om de alimentatieduur te bekorten met de periode gedurende welke de inschrijving van de echtscheiding onnodig is belemmerd. Het hof zal hierna daarom bepalen dat de duur van de alimentatieplicht van de man jegens de vrouw wordt verminderd met de duur van de periode gedurende welke de echtscheiding later is ingeschreven dan 18 maart 2014, te weten (afgerond) tot elf jaar en vijf maanden. Er is geen grond om de termijn van de alimentatieplicht nog verder te verkorten, zoals de man heeft verzocht.
Gerechtshof Amsterdam 31 maart 2015,
ECLI:NL:GHAMS:2015:1161