Beeindiging alimentatie in verband met samenwoning. Verzoek toegewezen.

De man heeft aangevoerd dat [naam] rond mei 2003 bij de vrouw is ingetrokken. Zij hadden een affectieve relatie, er was sprake van een gezamenlijke huishouding en van wederzijdse verzorging, aldus de man.

De vrouw heeft bevestigd dat zij enige tijd een affectieve relatie met [naam] heeft gehad. In de kern heeft zij evenmin betwist dat zij met [naam] heeft samengewoond: [naam] was veel bij haar, en de vrouw heeft niet betwist dat de voicemail op beider naam stond en dat [naam] haar computer gebruikte. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat gelet op hetgeen partijen in de stukken en ter terechtzitting naar voren hebben gebracht, moet worden geconcludeerd dat er sprake was van een gemeenschappelijke huishouding, hetgeen onder meer ook blijkt uit het feit dat [naam] zich kennelijk ook zeggenschap over de kinderen permitteerde.

Ook is er sprake geweest van wederzijdse verzorging. Uit hetgeen is verklaard en in de stukken is vermeld blijkt dat er financiële afhankelijkheid over en weer geweest. De vrouw heeft het contact met [naam] als kans gezien om weer aan het werk te komen en heeft daarop de mogelijkheid aangegrepen om [naam] geld te lenen, zodat deze zijn bedrijf kon opzetten. De vrouw heeft de onderneming van [naam] gedreven.

De vrouw heeft uiteindelijk enkel de duurzaamheid van de relatie betwist. Zo heeft zij toegelicht dat zij tot de conclusie is gekomen dat [naam] van meet af aan bijbedoelingen had. De affectieve relatie van [naam] en haar heeft maar drie maanden heeft geduurd en voor haar is de relatie eind 2003 geëindigd, ook al kwam [naam] nog tot april 2004 bij haar over de vloer.

De rechtbank acht de betwisting door de vrouw van de duurzaamheid van de relatie onvoldoende. Ongeacht eventuele bijbedoelingen van [naam] blijft overeind dat ook in de ogen van de vrouw sprake is geweest van een affectieve relatie. Op basis van de uiterlijke verschijningsvorm moet worden geconcludeerd dat sprake was van een affectieve relatie van duurzame aard. Dat de relatie feitelijk niet lang heeft geduurd, acht de rechtbank van ondergeschikt belang, nu naar de bedoeling van de vrouw en [naam] sprake is geweest van een duurzame relatie. Dat de vrouw de relatie is aangegaan met de bedoeling dat deze duurzaam zou zijn, staat niet ter discussie. Dat ook de bedoeling van [naam] is geweest dat de relatie duurzaam zou zijn, kan niet alleen worden afgeleid uit het feit dat hij bij de vrouw is gaan wonen, maar ook uit het feit dat hij zijn bedrijf op naam van de vrouw heeft gezet, hetgeen in het algemeen niet slechts voor korte tijd gebeurt. Eventuele bijbedoelingen van [naam] - voor zover daarvan sprake was - zijn zozeer verweven met diens subjectieve beleving, dat deze niet tot een andere conclusie kunnen leiden, nu - zoals hiervoor is overwogen - het uitgangspunt een objectieve benadering van de criteria dient te zijn.

Al met al heeft de vrouw onvoldoende aangevoerd dat kan worden beschouwd als een gemotiveerde betwisting van de stelling van de man dat sprake is geweest van samenleving in de zin van artikel 1:160 BW. Zelfs indien de stellingen van de vrouw juist zijn, kunnen deze niet afdoen aan de conclusie dat zij heeft samengeleefd met de heer [naam] als waren zij gehuwd. Om die reden wordt niet toegekomen aan nadere bewijsvoering en dient het primaire verzoek van de man te worden toegewezen.

Rechtbank Zutphen, 16 maart 2010, LJN BL7591