Co-ouderschap. Geen draagvlak voor een 7-7-regeling.

Het hof overweegt als volgt. Voor een co-ouderschapsregeling, hetgeen de vader feitelijk verzoekt, is een goede samenwerking en verstandhouding tussen de ouders een absolute voorwaarde. Naar het oordeel van het hof is hiervan op dit moment geen sprake. Tussen de ouders is geen persoonlijk contact en ook geen persoonlijk overleg omtrent de minderjarige. De communicatie verloopt alleen via e-mail, Whatsapp en een door de moeder opgezette gezamenlijke (elektronische) agenda. De onderlinge verstandhouding tussen partijen biedt derhalve naar het oordeel van het hof op dit moment onvoldoende draagvlak voor een co-ouderschapsregeling. Dit geldt temeer nu de ouders bij een co-ouderschapsregeling als voorgestaan nog meer op elkaar zijn aangewezen met betrekking tot de opvoeding van de minderjarige. Tot op heden hebben de ouders echter niet laten zien dat zij bij machte zijn hun onderlinge conflict ondergeschikt te maken aan het welzijn van de minderjarige. Onder deze omstandigheden acht het hof het niet in het belang van de minderjarige is om de huidige contactregeling thans te wijzigen in een co-ouderschapregeling of deze verder uit te breiden op de wijze zoals door de man is verzocht. Het hof zal – nu de huidige contactregeling goed verloopt en de minderjarige daaraan gewend is – dan ook bepalen dat de minderjarige eerst vijf dagen bij de vader verblijft en vervolgens negen dagen bij de moeder, alsmede dat de vakanties en feestdagen bij helfte tussen partijen zullen worden gedeeld. De bestreden beschikking zal derhalve op dit punt worden vernietigd. Het hof merkt daarbij op dat het partijen natuurlijk altijd vrij staat om de regeling in onderling overleg te veranderen of uit te breiden indien zij daartoe aanleiding zien.

Gerechtshof Den Haag 23 december 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:3682