Moet de vastgestelde overbedelingssom nu of bij verkoop van de woning worden voldaan? Hof bewandelt middenweg.

Alvorens nader op deze vraag in te gaan, wijst het hof er op dat - anders dan de vrouw betoogt de aan haar (en de man) toegedeelde vermogensbestanddelen, in het bijzonder het saldo van de hiervoor genoemde [a-bank] spaarrekening, niet kan worden beschouwd als enkel een voorschot op de afrekening van de boedel en dat eerst met de verdeling van de overwaarde sprake zal zijn van een definitieve vaststelling van de overbedelingssom. Ook omtrent de echtelijke woning hebben partijen immers een afspraak tot verdeling gemaakt, in die zin dat deze verkocht dient te worden waarbij partijen elk de helft van de overwaarde zullen ontvangen. Van een toedeling van de voormalige echtelijke woning aan de man nu of later is geen sprake. Het verzoek van de man om zijn aandeel in de boedel te ontvangen voor zover hij is onderbedeeld en de vrouw is overbedeeld, acht het hof niet onredelijk.

Wat betreft de overbedeling is het hof van oordeel dat bij de vaststelling van de hoogte daarvan rekening moet worden gehouden met het totaal van de verdeling uitgaande van de afspraken die partijen op de comparitie hebben gemaakt en de beslissingen van de rechter. Op basis hiervan komen aan ieder van partijen de volgende vermogensbestanddelen toe:
- aan de vrouw: de [a-bankspaarrekening] met een saldo van € 31.721,73; de polis [C] met een waarde van € 24.152,- en een [a-bank] privérekening met een saldo van € 715,96 zijnde in totaal € 56.589,69;
- aan de man: de auto met een waarde van € 8.650,- en een teruggave inkomstenbelasting ad € 1.068,- alsmede een aanslag inkomstenbelasting ad € 4.534,- die hij als eigen schuld voor zijn rekening dient te nemen, zijnde in totaal € 5.184,-

Waar ieder van partijen gerechtigd is tot een waarde van € 30.886,85 is de vrouw overbedeeld en de man onderbedeeld voor een bedrag van € 25.702,85. Het hof zal dit bedrag voor de overbedeling in het dictum opnemen.

Met deze vaststelling is niet zonder meer gegeven dat de vrouw in redelijkheid ook gehouden is dit bedrag van de overbedeling op dit moment aan de man te vergoeden, geheel dan wel gedeeltelijk. Of en zo ja welk deel van de overbedelingsvordering de vrouw in redelijkheid op dit moment aan de man dient te vergoeden en welk deel mag worden voldaan bij de toekomstige verkoop van de voormalige echtelijke woning, zal het hof vaststellen met inachtneming van de hierna te noemen feiten en omstandigheden.

Gezien de verklaring van de vrouw ter zitting in hoger beroep, resteert een bedrag van € 15.800,- van de door haar ontvangen gelden van de spaarrekening bij de [a-bank] . Zij heeft geen verdere financiële reserves, terwijl haar financiële situatie niet zodanig is dat zij binnen afzienbare tijd enige financiële buffer zal kunnen opbouwen. De suggestie van de man dat de vrouw redelijkerwijs in staat moet zijn om een (aanvullend) bedrag te lenen, acht het hof niet realistisch en dat kan in redelijkheid ook niet van de vrouw gevergd worden, gezien de aan een dergelijke lening verbonden lasten.

De vrouw heeft de polis [C] toegedeeld gekregen ter waarde van € 24.152,- en zij ontvangt uit deze polis een uitkering van € 320,- bruto per maand. De keuze van de vrouw voor deze wijze van uitbetaling valt te billijken, gezien de bestemming van de polis en haar huidige financiële situatie.

Het hof acht verder niet aannemelijk dat de inkomens van partijen op dit moment min of meer gelijk zijn: het inkomen van de vrouw is ook met de uitkering van [C] , lager dan dat van de man. Verder zijn de woonlasten van de vrouw hoger dan die van de man, ook wanneer bij haar rekening wordt gehouden met de huurtoeslag en bij de man de verdere eigenaarslasten naast de hypotheekrente in aanmerking worden genomen.

Het hof is voorts van oordeel dat mag worden meegewogen dat weliswaar voor beide partijen een belangrijk deel van de gemeenschap (de overwaarde) nog vast zit in de voormalige echtelijke woning, maar dat de man op dit moment alleen het volledige gebruik en genot heeft van deze woning, ook van het aan de vrouw toekomende aandeel in de overwaarde. De man betaalt tegenover dit gebruik en genot de hypothecaire lasten en de overige eigenaarslasten, maar hij betaalt geen vergoeding aan de vrouw voor haar aandeel in (de overwaarde van) de woning terwijl dit gezien zijn lasten en de omvang van de overwaarde niet onredelijk zou zijn. In die zin heeft de man de feitelijke beschikking over een ‘renderend’ vermogensbestanddeel van de boedel.

Alles in ogenschouw nemende, acht het hof het redelijk om het bedrag van de overbedeling dat de vrouw thans aan de man dient te betalen vast te stellen door de waarde van de polis [C] thans, in afwachting van verdere verrekening ter gelegenheid van de verrekening van de overwaarde van de echtelijke woning na verkoop, buiten de verder te verdelen gemeenschap te houden. Wanneer deze waarde buiten beschouwing wordt gelaten, hebben de man en de vrouw elk recht op een bedrag van € 18.810,85 (€ 37.621,69 : 2). De vrouw heeft dan ontvangen € 32.437,69 en daarmee € 13.626,84 te veel en de man heeft dan ontvangen € 5.184,- en daarmee € 13.626,84 te weinig.

Het hof zal daarom bepalen dat de vrouw ter zake van de overbedeling aan de man een bedrag van € 25.702,85 dient te vergoeden waarvan een bedrag van € 13.626,84 binnen veertien dagen na de datum van deze beschikking betaald moet worden en het restantbedrag van € 12.076,01 dient te worden voldaan bij de levering van de woning aan een derde. Het hof merkt hierbij nadrukkelijk op dat de vrouw bij haar betaling gerechtigd is om de alimentatie die de man op grond van de echtscheidingsbeschikking over de periode van 19 juli 2012 tot 6 oktober 2012 aan haar had moeten betalen maar nog niet heeft voldaan, te verrekenen.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18 augustus 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:6352