Scheidingsperikelen van samenwoners geen reden om eenzijdig gezag in stand te laten. Omzetting van eenzijdig gezag naar gezamenlijk gezag.

Als algemeen uitgangspunt geldt dat ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen over hun minderjarige kinderen. De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit geval van dit uitgangspunt af te wijken.
De rechtbank overweegt daartoe het volgende. Onweersproken is gesteld dat partijen tot april 2009 altijd gezamenlijk voor de kinderen hebben gezorgd. Gebleken is dat partijen er niet bewust voor hebben gekozen dat de vrouw het gezag over de kinderen alleen zou uitoefenen, maar dat zij in feite na de erkenning van de kinderen veronderstelden dat zij samen het gezag uitoefenden en daarom hebben nagelaten gezamenlijk gezag te laten registeren.
Hoewel de communicatie tussen partijen niet goed verloopt en er door een kinderpsycholoog is geconstateerd dat de kinderen lijden onder de spanningen tussen de ouders, ziet de rechtbank geen aanleiding om op basis daarvan het gezag alleen bij de vrouw te laten. Indien partijen wel gezamenlijk gezag hadden uitgeoefend had de rechtbank evenmin aanleiding gezien een van de ouders alleen met het gezag te belasten. De rechtbank laat tevens meewegen dat de omgangsregeling tussen de man en de kinderen na een moeizame start inmiddels goed verloopt en dat de vrouw heeft verklaard bereid te zijn de man te betrekken bij de hulpverlening door de kinderpsycholoog. Dit biedt partijen de mogelijkheid om met de hulp van de kinderpsycholoog hun onderlinge communicatie over de kinderen te verbeteren.
De rechtbank zal partijen dan ook gezamenlijk belasten met het ouderlijk gezag.

Rechtbank Groningen, 22 juni 2010, LJN BM9260