Toepassing aanvullende werking redelijkheid en billijkheid bij huwelijkse voorwaarden (Melkquotum)

Het Hof heeft kennelijk en terecht tot uitgangspunt genomen dat de overeenkomst van huwelijksvoorwaarden mede door de eisen van redelijkheid en billijkheid wordt beheerst, en dat een als gevolg van die overeenkomst tussen partijen geldende regel niet wordt toegepast voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Voorts ligt in ’s hofs overwegingen, gelezen in onderling verband en samenhang, besloten het oordeel dat te dezen sprake is van onvoorziene omstandigheden van dien aard dat de man naar bedoelde maatstaven niet mag verwachten dat hij zou mogen volstaan met de enkele teruggave van de destijds aan hem ter beschikking gestelde grond zonder enige verrekening van de waarde van het aan hem toegekende melkquotum voor zover dit in verband staat met zijn gebruik van die grond. (...) Het Hof heeft voor de nadere uitwerking van evenbedoeld oordeel aansluiting gezocht bij de rechtspraak pachtzaken. In r.o. 9 en 10 heeft het Hof onderzocht welke aanspraken de vrouw ter zake van het melkquotum volgens die rechtspraak zou hebben kunnen doen gelden indien sprake zou zijn geweest van een vóór 1983 tussen haar als verpachtster en de man als pachter gesloten en ná 1983 beëindigde pachtovereenkomst. (...)
Deze gedachtengang van het Hof geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

Hoge Raad 29 september 1995, NJ 1996, 88

Noot: Luiten heeft in zijn noot over deze uitspraak in WPNR 6279 (1997) een vergelijking getrokken met de uitspraak van de Hoge Raad van 25 november 1988, NJ 1989, 529 (Hilversumse horeca) die ook op deze website is gepubliceerd. In laatstgenoemde uitspraak werd geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat door de arbeidsinspanning van de vrouw het vermogen van de man is toegenomen, niet voldoende is om een tussen partijen overeengekomen uitsluiting van iedere gemeenschap niet toe te passen. Het meewerken van de vrouw in een horeca-gelegenheid is geen onvoorziene omstandigheid. In deze zaak is dat anders omdat er wel sprake is van een onvoorziene omstandigheid. De vrouw werkte hier ook mee maar zij had haar grond gratis aan de man ter beschikking gesteld in 1977 en eerst in 1985 kwam het melkquotum aan de orde. Er was dus meer dan de arbeidsinspanning van de vrouw alleen.