Verzoek toewijzing echtelijke woning, voor beide partijen afgewezen.

De rechtbank constateert dat beide partijen belang hebben bij gebruik van de echtelijke woning. Zij zijn ieder sociaal gebonden aan (de omgeving van) de echtelijke woning; de vrouw door haar vrijwilligerswerk en de man door de via [een instelling] verkregen proefplaats als vrijwilliger bij de bibliotheek. Partijen verkeren in gelijke financiële omstandigheden, die het hen moeilijk zal maken op korte termijn andere woonruimte te vinden. Evenmin is gebleken dat het voor één van partijen op korte dan wel redelijke termijn, met zijn/haar woonpas, mogelijk zal zijn om andere, al dan niet tijdelijke woonruimte te verkrijgen, dan wel dat één van hen zal kunnen beschikken over een andere verblijfsmogelijkheid bij bijvoorbeeld familie, vrienden of kennissen. Ook anderszins is niet gebleken van concrete feiten of omstandigheden die maken dat de situatie van de ene partij anders is dan die van de andere partij. De rechtbank gaat er dus van uit dat partijen beiden evenveel belang hebben bij het gebruik van de echtelijke woning.
Hetgeen hiervoor is overwogen, maakt dat de rechtbank voorts zal onderzoeken of één van partijen er - een groter - belang bij heeft dat zij/hij bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning met bevel dat de ander die woning dient te verlaten en deze verder niet mag betreden. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende.
De vrouw heeft haar - door de man betwiste - stelling dat zij sinds jaren door de man met name geestelijk wordt mishandeld en dat zij bang is dat de agressieve wijze waarop de man haar bejegent zal omslaan in fysiek geweld, onvoldoende onderbouwd. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de vrouw heeft gesteld dat zij de situatie voor haar dochters heeft volgehouden, maar dat niet, dan wel onvoldoende concreet, is gebleken dat de vrouw sinds juli 2006 - toen ook haar jongste dochter uit huis is gegaan - stappen heeft ondernomen om de door haar geschetste situatie te veranderen. Evenmin is voldoende gebleken dat er thans sprake is van een - hoofdzakelijk aan één van partijen te wijten - onhoudbare situatie. Partijen verblijven in hun eigen kamer en eten apart en hebben klaarblijkelijk een situatie gecreëerd waarin zij met een minimum aan contact met elkaar, beiden nog - tijdelijk - in de echtelijke woning kunnen verblijven. Hoewel wordt onderkend dat het belastend voor partijen is dat zij samen de woning gebruiken, leidt het vorenstaande er toe dat de bezwaren van partijen - en met name die van de vrouw - tegen het voor de duur van de echtscheidingsprocedure gezamenlijk gebruiken van de echtelijke woning, niet zodanig zwaarwichtig zijn dat één van de echtgenoten (gezien hun beider belang om in de woning te verblijven) het uitsluitend gebruiksrecht van de echtelijke woning toekomt waardoor aan de andere echtgenoot de toegang tot de woning zal moeten worden ontzegd.
De rechtbank zal dus zowel het verzoek van de vrouw als dat van de man tot bepaling dat zij/hij bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning (en inboedel) met bevel dat de ander die woning dient te verlaten en deze verder niet mag betreden, afwijzen.
Rechtbank 's-Gravenhage, 14 mei 2009, LJN
BJ7579