Wanneer kan een niet-wijzigingsbeding in een echtscheidingsconvenant worden doorbroken?

Onderdeel 1 keert zich tegen het oordeel dat sprake is van een ingrijpende wijziging van omstandigheden in de zin van art. 1:159 lid 3 BW. Dit oordeel geeft echter, zoals nader uiteengezet in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.6, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en behoefde evenmin nadere motivering dan door het hof is gegeven. Onderdeel 1 faalt derhalve.
Onderdeel 2, dat gericht is tegen (de motivering van) het oordeel dat de man naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het beding van niet-wijziging mag worden gehouden, is daarentegen ten dele gegrond. Nu de man niet heeft aangevoerd dat hij gelet op zijn leeftijd niets anders kon doen dan de verandering van zijn arbeidsvoorwaarden accepteren, klaagt onderdeel 2 terecht dat het hof die omstandigheid niet aan zijn beslissing ten grondslag mocht leggen. Voorts wijst het onderdeel er terecht op dat de vrouw in de feitelijke instanties heeft aangevoerd dat voor haar geen pensioenvoorziening bestaat en dat de alimentatie dus nodig is voor "het sparen voor de oude dag", dat dit ook een van de redenen is geweest voor het niet-wijzigingsbeding en dat dit temeer klemt nu de alimentatieverplichting in beginsel reeds zal eindigen in 2009. Het hof heeft die essentiële stellingen echter niet in zijn beoordeling betrokken, zodat zijn oordeel ook in zoverre niet voldoende is gemotiveerd. Voor het overige behoeft het onderdeel geen behandeling.
Onderdeel 3 klaagt onder verwijzing naar HR 12 september 2003, nr. R02/084, NJ 2004, 6, terecht dat uit de bestreden beslissing niet blijkt dat het hof bij het opnieuw vaststellen van de alimentatieverplichting van de man zoveel mogelijk aansluiting heeft gezocht bij hetgeen partijen bij hun echtscheidingsconvenant voor ogen stond.
Uit deze uitspraak zijn een aantal eisen af leiden:
1. Er moet sprake zijn van een ingrijpende wijziging van omstandigheden in de zin van de wet. Dat was in deze zaak het geval.
2. Was met de mogelijkheid van de opgetreden wijziging reeds rekening gehouden bij het maken van de afspraken? Dat was in deze zaak niet het geval.
3. Is de wijziging verwijtbaar? Dat was in deze zaak ook niet het geval.
4. De samenhang met andere afspraken in het convenant moet in aanmerking worden genomen. In dit geval is dat niet gebeurd omdat het verband tussen het niet-wijzigingsbeding en het ontbreken van de pensioenvoorziening van de vrouw niet is besproken. Door dit laatste moet de zaak over bij het Hof.
Hoge Raad, 6 juni 2008, LJN BC8415