Afstorting pensioenrechten voor de vrouw niet gehonoreerd door het hof aangezien dit in strijd is met het vennootschappelijk belang van de vennootschap.

Het hof overweegt als volgt. Uit de conceptjaarrekening 2014 volgt dat er een pensioenvoorziening is opgenomen voor een bedrag van € 167.470,-. Uit de toelichting op de jaarrekening (bladzijde 15) volgt dat bij de berekening van de voorziening rekening is gehouden met een rekenrente van 3,034%. Naar aanleiding van dit rentepercentage heeft het hof de vraag gesteld of deze rekenrente ook wordt gehanteerd door verzekeringsmaatschappijen. Uit het betoog van de advocaat van de man naar aanleiding van die vraag heeft het hof begrepen dat dat niet het geval is. Uitgaande van de huidige zeer lage rentetarieven, waarbij gedacht moet worden aan een rentetarief tussen de 1% en 1,5%, is de in de jaarrekening getroffen pensioenvoorziening voor de man en de vrouw volstrekt onvoldoende. De voorziening dient, uitgaande van dit lage rentepercentage, ten minste het dubbele te zijn van het bedrag dat in de conceptjaarrekening 2014 is opgenomen. Het bedrag aan liquiditeiten dat per 31 december 2014 aanwezig is, is naar het oordeel van het hof onvoldoende om de pensioenvoorziening voor de man en de vrouw af te storten onder een levensverzekeringsmaatschappij. De postrelationele solidariteit tussen ex-echtgenoten brengt met zich dat het effectief aanwezige pensioen tussen partijen in gelijke mate moet worden verevend. Nu een voorziening van ruim € 340.000,- op de balans nodig is om de totale pensioenrechten van partijen te dekken, kan van de man in redelijkheid niet worden verwacht dat hij daarvan ten behoeve van de vrouw € 211.743,- in liquiditeiten afstort, waarbij hij geen zekerheid meer heeft over de dekking van zijn eigen pensioen. In het kader van het vennootschappelijk belang dient de vennootschap ook over voldoende liquiditeiten te kunnen beschikken om aan haar lopende verplichtingen te kunnen blijven voldoen. Het volledig aanwenden van de liquiditeiten voor het afstorten van de pensioenrechten acht het hof in strijd met de belangen van de vennootschap. Voorts is het hof van oordeel dat de man ook overigens onvoldoende eigen vermogen heeft om zorg te dragen voor de afstorting van de pensioenrechten, waarbij het hof het redelijk en billijk acht dat een pensioenafstorting dan ook plaatsvindt voor beide partijen en niet slechts voor één partij. De desbetreffende grief van de man treft derhalve doel. De bestreden beschikking dient derhalve in zoverre te worden vernietigd.

Gerechtshof Den Haag 25 november 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:3875