Geeft gezamenlijk aangegane hypothecaire lening, waarop niet is afgelost, man aanspraak op helft overwaarde van door vrouw in privé verkregen woning?

Onjuist is in de eerste plaats het uitgangspunt dat partijen die periodieke deling van de overgespaarde inkomsten achterwege hebben gelaten maar bij het einde van het huwelijk tot verrekening overgaan, daarin ook zouden moeten betrekken de waarde(vermeerdering) van privégoederen die niet zijn verworven door aanwending van uit hun inkomsten bespaard en ongedeeld gebleven vermogen. Onjuist is tevens het uitgangspunt dat het feit dat de hypothecaire lening gezamenlijk is aangegaan, meebrengt dat de koopsom van de woning ten laste van het verrekenplichtig vermogen is gekomen, ook al hebben de rentebetalingen als kosten van de huishouding te gelden en is van aflossingen in welke vorm dan ook geen sprake geweest.
Hoge Raad 19 november 2010, LJN:
BN8027
Met deze uitspraak lijkt een einde te komen aan reeds jaren in de literatuur gevoerde discussie tussen Verstappen en Zonnenberg. Verstappen betoogt in zijn door het cassatiemiddel genoemde bijdrage "Hoe ver reikt de beleggingsleer", WPNR (2007) 6708, dat indien met overgespaarde inkomsten niets is afgelost op een lening, de rentebetalingen aanleiding kunnen geven om zowel de schuld als de waarde van het daarmee verworven goed in de verrekening te betrekken. In zijn uit 2007 daterende bijdragen in het WPNR, waarop het middelonderdeel zich beroept, verdedigt Verstappen dat bij niet uitgevoerde verrekenbedingen ook niet afgeloste schulden en de daarmee aangeschafte goederen, zoals een echtelijke woning, tot het te verrekenen vermogen kunnen behoren ingeval de rente geheel uit de "gemeenschappelijke pot" betaald wordt, en dat alles afhangt van het antwoord op de vraag in hoeverre door partijen "de schuld daartoe wordt gerekend", hetgeen weer afhankelijk is van de omstandigheden van het geval. Hij betreurt de opvatting dat slechts bij afbetaling of aflossing van de hypothecaire lening het goed/de echtelijke woning tot het te verrekenen vermogen ingevolge een niet uitgevoerd verrekenbeding kan behoren. Hij betoogt dat deze opvatting in strijd is met de wet, en dan met name met de tweede zin van art. 1:136 lid 1 BW, inhoudende dat een goed op de voet van de eerste volzin tot het te verrekenen vermogen wordt gerekend voor zover de schuld daartoe wordt gerekend of daaruit is afgelost of betaald. Verstappen had deze opvatting ook reeds verdedigd in een uit 2004 daterende WPNR-bijdrage ("De wet verrekenbedingen in de praktijk", WPNR (2004) 6584).
De opvatting van Verstappen heeft in de literatuur discussie opgeroepen. Zo hebben Kraan (WPNR (2005) 6621, p. 400 en 401 en Zonnenberg WPNR (2007) 6724, p. 807 e.v. de opvatting bestreden Zie in die zin ook: Klaassen-Luijten-Meijer I, 2005, nr. 651. Zonnenberg geeft in zijn dissertatie ("Het verrekenbeding", diss. 2009, p. 212 e.v.) een overzicht van deze discussie.
Zonnenberg betoogt in zijn dissertatie (p. 213) dat in de hiervoor geciteerde passage uit de wetsgeschiedenis niet wordt gesproken over de mogelijkheid dat de schuld tot het te verrekenen vermogen zou kunnen behoren, doch dat slechts de vraag wordt opgeworpen of rentebetalingen tot de te verrekenen inkomsten kunnen worden gerekend. Voorts betoogt Zonnenberg dat de opvatting van Verstappen in strijd is met de vaste jurisprudentie van uw Raad en dat niet kan worden aangenomen dat de wetgever met de passage "voor zover de schuld daartoe wordt gerekend" in de tweede volzin van het eerste lid van art. 1:136 BW iets nieuws heeft willen brengen nu de wetgever met de inwerkingtreding van de Wet regels verrekenbedingen niet heeft bedoeld af te wijken van de koers die uw Raad vanaf 1995 in diverse uitspraken heeft uitgezet, zoals blijkt uit de parlementaire geschiedenis.
Asser/De Boer I* 2010, nr. 509, leest in de zinswending "voor zover de schuld tot het te verrekenen vermogen wordt gerekend" een maatstaf ter bepaling van het aandeel waarvoor een privé-goed in de onder het te verrekenen vermogen dient te worden geboekt ingeval dat privé-goed is verkregen door middel van een lening waarop gedurende het verrekentijdvak rente is betaald terwijl deze rentebetalingen niet kunnen worden beschouwd als kosten van de huishouding doch wel zijn voldaan uit overgespaarde maar onverdeeld gebleven inkomsten.
Met de uitspraak heeft de Hoge Raad de opvatting van Verstappen verworpen.