Maakt het uit of een vordering wordt gekwalificeerd als vordering tot verdeling van een overgeslagen goed ex. art. 3:179 lid 2 BW of als een vordering tot verdeling van een gemeenschappelijk goed ex. art. 3:178 BW? Verjaring.

Art. 3:178 lid 1 BW bepaalt dat ieder der deelgenoten te allen tijde verdeling van een gemeenschappelijk goed kan vorderen. Uit de woorden ‘te allen tijde’ volgt dat deze vordering tot verdeling niet kan verjaren (vgl. Parl. Gesch. Boek 3, p. 606).

Art. 3:179 lid 2 BW bepaalt dat de omstandigheid dat bij een verdeling een of meer goederen zijn overgeslagen, alleen ten gevolge heeft dat daarvan een nadere verdeling kan worden gevorderd. Ook een dergelijke vordering tot nadere verdeling is een vordering tot verdeling van een gemeenschappelijk goed in de zin van art. 3:178 lid 1 BW en uit dien hoofde dus niet aan verjaring onderhevig. Daarbij is niet van belang of het desbetreffende goed opzettelijk of onbedoeld is overgeslagen.

Het verweer van de man dat de vordering van de vrouw tot verrekening van de pensioenrechten is verjaard, berust derhalve op een onjuiste rechtsopvatting.

Hoge Raad 27 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:762