Is er sprake van samenwoning als ware men gehuwd in de zin van artikel 1:160 BW? Facebookberichten.

Niet in geschil is dat de vrouw een affectieve relatie van duurzame aard heeft met [x] , nu zij ter zitting in hoger beroep heeft verklaard dat zij sinds anderhalf jaar een relatie heeft met [x] , die tevens haar manager is.

Voorts is komen vast te staan dat de vrouw en [x] feitelijk in dezelfde woning wonen.
De man heeft ter ondersteuning van zijn stelling dat de vrouw en [x] samenleven als waren zij gehuwd, uitdraaien van de Facebookpagina van de vrouw overgelegd, met onder meer de volgende berichten, die – voor zover valt na te gaan – grotendeels dateren uit 2014:
-
“Lekker vroeg uit de veren, brood smeren voor [voornaam x] daarna uit met de hondjes. Dan ga ik toch nog eventjes op de bank een beetje doezelen waarna ik de dagelijkse huishoudelijke taken verricht. Aan het einde van de ochtend ga ik ff heerlijk onder de zonnebank, die ik zo ontzettend lief van mijn allerliefste [voornaam x] heb gekregen en vanmiddag ga ik nog even naar de kapper voor een color checkup.”
-
“Heerlijk om mijn engeltje zo blij te zien met haar nieuwe fiets die ze van papa [voornaam x] heeft gekregen”
-
“Ik vind het fantastisch om hem te verwennen en voor hem te koken. Hij is altijd zo dankbaar en lief. Ik vind dat hij het verdient, want hij heeft me er echt doorheen gesleept de afgelopen weken en hij zorgt nu nog 24/7 voor me. Ik mag en kan nog weinig, dus ik ben erg blij met mijn lieve [voornaam x] .”
-
“Vanmorgen kwam mijn Allerliefste [voornaam x] thuis met een mega bos roze rozen.”
-
“ [voornaam x] en ik hebben vandaag onze outfits voor carnaval aangeschaft, dikke pret hadden we natuurlijk! (…) We zijn intens gezegend, we hebben twee prachtige kinderen [naam dochter] en [de minderjarige] (ook al zie we [de minderjarige] niet vaak in ons hart is hij bij ons) Voor mijn gevoel is [voornaam x] de echte vader van mijn kinderen, want hij voedt ze op en geeft ze de liefde alsof het zijn eigen vlees en bloed is en daar ben ik heel erg blij mee. Dankjewel lieve [voornaam x] , dat je zo goed zorgt voor mij en de kinderen, ik hou van jou! We hebben twee sjnupkes van hondjes. We hebben mega lieve ouders/schoonouders en we hebben elkaar niet te vergeten. Mijn leven is helemaal compleet, ik heb alles wat mijn hartje begeert. 2015 wordt voor ons een fenomenaal jaar, dat weet ik zeker!”

De vrouw heeft niet betwist dat deze berichten van haar hand zijn. Het hof heeft haar ter zitting een aantal daarvan voorgehouden en om een verklaring daarvoor gevraagd. De vrouw heeft daarop geantwoord dat [x] voor haar heeft gezorgd toen zij veel hulp nodig had in verband met twee ingrijpende operaties die zij ten behoeve van een noodzakelijke gewichtsvermindering heeft ondergaan. Zij heeft er ter zitting nogmaals op gewezen dat zij een kamer huurt bij [x].

Naar het oordeel van het hof vormen de bovenstaande berichten, in onderlinge samenhang bezien en tevens bezien tegen de achtergrond dat de vrouw en [x] een duurzame affectieve relatie hebben en in dezelfde woning wonen, voldoende aanwijzing dat zij samenwoont met [x] als waren zij gehuwd in de zin van artikel 1:160 BW. Uit de berichten blijkt dat de vrouw ’s morgens brood smeert voor [x] en voor hem kookt. Ter zitting heeft de vrouw desgevraagd verklaard dat de woning over één keuken beschikt. Verder blijkt uit de berichten dat de vrouw huishoudelijke taken verricht en samen met [x] twee honden heeft, die zij uitlaat. [x] zorgt volgens de vrouw niet alleen goed voor haar, maar ook voor haar beide kinderen, die hij mede opvoedt. Hij koopt een zonnebank en rozen voor de vrouw, en een fiets voor haar dochter [naam dochter] , aldus de berichten. Dit alles rechtvaardigt naar het oordeel van het hof de conclusie dat tussen de vrouw en [x] sprake is van een duurzame affectieve relatie die meebrengt dat zij elkaar wederzijds verzorgen, met elkaar samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren. De vrouw heeft onvoldoende feiten of omstandigheden aangevoerd die deze conclusie weerleggen en daarmee de stelling van de man onvoldoende gemotiveerd betwist. De verwijzing naar haar gezondheidssituatie volstaat niet. Verder staat de omstandigheid dat de vrouw met [x] een huurovereenkomst heeft gesloten en hem huur betaalt er niet aan in de weg dat zij met hem samenwoont als ware zij met hem gehuwd. Uit die omstandigheid kan immers evenzeer worden afgeleid dat de vrouw en [x] de kosten van de woning samen delen.

Nu aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 1:160 BW is voldaan, is de verplichting van de man tot het verstrekken van levensonderhoud van de vrouw geëindigd, en wel met ingang van 1 juli 2014, de datum waarop de vrouw volgens de huurovereenkomst op hetzelfde adres woont als [x] . Dat de vrouw al vóór 1 juli 2014 met [x] samenwoonde als waren zij gehuwd, acht het hof onvoldoende aannemelijk geworden.

Gerechtshof Amsterdam 28 juli 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:3108