Mag een partij zelf stukken in het geding brengen? Beperkte verplichte procesvertegenwoordiging in verzoekschriftprocedures.

Voor een verzoekschriftprocedure als de onderhavige geldt dat het inleidend verzoekschrift in eerste aanleg moet worden ondertekend door een advocaat (278 lid 3 Rv). Hetzelfde geldt voor een eventueel verweerschrift (art. 282 lid 1 jo 278 Rv). Op grond van art. 362 Rv zijn de art. 278 en 282 Rv van overeenkomstige toepassing op de procedure in hoger beroep. Er is op gewezen dat buiten de ondertekening van het verzoek- en verweerschrift door een advocaat naar de tekst van genoemde bepalingen derhalve geen verplichte procesvertegenwoordiging bestaat.

De wetsgeschiedenis vermeldt omtrent de omvang van de verplichte procesvertegenwoordiging in verzoekschriftprocedures het volgende:
“Het in artikel 133, eerste lid, Rv. (thans art. 79 Rv, toev. A-G) neergelegde vereiste van procureurstelling geldt slechts voor de dagvaardingsprocedure en houdt onder meer in dat gedurende de gehele procedure vertegenwoordiging door een procureur verplicht is. Artikel 429d, derde lid, Rv. (thans art. 278, toev. A-G) heeft een beperktere strekking: het bepaalt slechts dat in sommige zaken (…) het verzoekschrift door een procureur moet worden ingediend. Afgezien van deze indiening is men in zaken als de onderhavige dus niet op procureursbijstand aangewezen. Ten aanzien van de mondelinge behandeling wordt dit nog eens uitdrukkelijk bepaald in art. 429f, tweede lid, Rv (thans art 279 lid 3, toev. A-G).”

Voorts wordt opgemerkt “dat artikel 429d alleen bepaalt dat de indiening van een verzoekschrift (…) door een procureur moet geschieden. Met verzoekschrift is hier bedoeld het inleidende verzoekschrift. In de gevallen waarin de rechter-commissaris of een raadsheer-commissaris een beslissing moet geven, bijv. over de toelating van getuigen, is de zaak reeds voor de rechter aanhangig. Het ontwerp laat toe, dat de verzoeker of een belanghebbende in persoon zonder procureursbijstand verschijnt. Beslissingen van de rechter-commissaris of van de raadsheer-commissaris moeten derhalve zonder procureursbijstand gevraagd kunnen worden.”

Uit de wettekst van de artikelen 278 lid 3 en 282 lid 1 Rv, al of niet mede in verband met de aangehaalde wetsgeschiedenis, wordt in de literatuur afgeleid dat na het wisselen van het verzoekschrift en het verweerschrift partijen verdere correspondentie buiten de procesadvocaat om kunnen voeren

Uw Raad overwoog in zijn beschikking van 26 juni 200926 (met betrekking tot bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zoals dat gold tot de inwerkingtreding op 1 september 2008 van de Wet afschaffing procuraat en invoering elektronisch berichtenverkeer, Stb. 2008, 100, waarbij in die bepalingen procureur is vervangen door advocaat):
“3.2.5. (…) Hetgeen hierna ten aanzien van de procureur wordt overwogen geldt (…) thans evenzeer voor de advocaat.
(…)
3.2.9.1. In verzoekschriftprocedures waarin voor de partijen verplichte procesvertegenwoordiging geldt (hierna: procureurszaken), moeten zij zich bij het verrichten van formele proceshandelingen, zoals het indienen van een verzoekschrift of verweerschrift, laten vertegenwoordigen door een procureur, en kunnen zij zich ook overigens laten vertegenwoordigen door een procureur, zoals blijkt uit art. 279 lid 3 dat in procureurszaken partijen die voor de mondelinge behandeling zijn opgeroepen, toestaat niet in persoon maar bij procureur ter terechtzitting te verschijnen.”

De vraag is opgeworpen welke handelingen als ‘formele proceshandelingen’ in de zin van het hier gemaakte onderscheid moeten worden aangemerkt. De verwachting is uitgesproken dat daaronder met name het ondertekenen van een aanvullend verzoekschrift moet worden begrepen.

In de literatuur wordt in het algemeen aangenomen dat in verzoekschriftprocedures een beperkte procesvertegenwoordigingsplicht geldt die meebrengt dat afgezien van het ondertekenen van (aanvullend) verzoekschrift (of verweerschrift) geen procesvertegenwoordiging door een advocaat vereist is voor andere handelingen zoals het overleggen van stukken, de indiening van een nadere toelichting of het corresponderen met de betreffende gerechtelijke instantie. Voor het verschijnen ter zitting volgt dit al uit art. 279 lid 3 Rv.

In het licht van de wettekst, wetsgeschiedenis, rechtspraak en literatuur meen ik dat onttrekking door een advocaat ná het moment van indiening van het (appel)verzoekschrift (of verweerschrift) er niet aan in de weg staat dat de betreffende partij nadere stukken in het geding brengt. Dit sluit aan bij het gegeven dat dergelijke stukken ook mogen worden overgelegd tijdens de mondelinge behandeling, waar, als gezegd, partijen in persoon kunnen verschijnen (art. 279 lid 3 Rv). Anders dan de rechtsklacht betoogt, mocht het hof derhalve wel acht slaan op stukken die de man inbracht op een moment dat hij in het geding niet langer werd vertegenwoordigd door een advocaat.

Parket bij de Hoge Raad, 5 juni 2015, ECLI:NL:PHR:2015:845

Dit advies van de AG is gevolgd door de Hoge Raad op 25 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2822