Voortgezet gebruik echtelijke woning met inbegrip van de inboedel en gebruiksvergoeding echtelijke woning. Opeisbaarheid gebruiksvergoeding uitgesteld.

Nu de echtelijke woning in Nederland is gelegen, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe met betrekking tot de over en weer gedane verzoeken tot voortgezet gebruik van de echtelijke woning en worden deze volgens Nederlands internationaal privaatrecht door Nederlands recht beheerst.

De rechtbank is van oordeel dat het belang van de man bij voortgezet gebruik van de echtelijke woning zwaarder weegt dan dat van de vrouw. De man heeft voor het verrichten van zijn werkzaamheden, hoewel deze thans minimaal zijn, zijn in de echtelijke woning aanwezige werkkamer, archief en studio nodig. Voorts bewoont de vrouw thans een huurwoning waarvan zij de huurlasten voor een jaar reeds heeft vooruitbetaald, zodat het niet in de rede ligt deze voortijdig te verlaten.

De vrouw heeft ten aanzien van het voortgezet gebruik van de inboedel van de echtelijke woning nog aangevoerd dat zij onder geen voorwaarde kan instemmen met het gebruik van de gehele inboedel door de man voor zover daartoe erfstukken van haarzelf behoren. Zoals hierna zal worden overwogen, hebben partijen overeenstemming over de verdeling van de inboedel bereikt. Gelet hierop beschouwt de rechtbank dit door de vrouw ingenomen standpunt als ingetrokken.

Voorts acht de rechtbank het redelijk dat de man aan de vrouw een gebruiksvergoeding betaalt, nu de man gebruik maakt van de gehele woning die mede aan de vrouw in eigendom toebehoort. De rechtbank acht de door de vrouw primair verzochte gebruiksvergoeding van € 1.016,66 per maand redelijk. Daartoe wordt in het bijzonder de door de vrouw gestelde en door de man onvoldoende bestreden huurwaarde (= het in geld vertaalde woongenot) in aanmerking genomen. Daarnaast neemt de rechtbank de overwaarde in aanmerking en het feit dat de man in ieder geval de komende maanden nog inkomsten uit verhuur van het naastgelegen koetshuis ontvangt.

Omdat de inkomsten van de man niet voldoende zijn voor het betalen van de vastgestelde gebruiksvergoeding acht de rechtbank het redelijk dat betaling van de vergoeding geschiedt na verkoop en levering van de echtelijke woning aan een derde, uit zijn deel van de verkoopopbrengst van de woning.

Rechtbank Den Haag 17 maart 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:3109