Samenwonen als ware men gehuwd: bewijs van samenwoning met name op grond van analyse bankafschriften en lage verbruik energie en water.

Uit de pinopnamen en transacties volgt dat de vrouw, gezien ook de verklaring van [partner] dat hij niet haar pinpas heeft gehad maar dat zij die zelf had, in een periode van 4 maanden slechts tweemaal circa een week (22/1 – 27/1 en 26/2 – 6/3) elders dan in of in de omgeving van [woonplaats] haar pinpas heeft gebruikt. Gezien de aard van de pintransacties (veelal huishoudelijke aankopen) en de vele pinopnames (normaliter om in de dagelijkse levensbehoeften te kunnen voorzien), alsmede het buiten die genoemde twee weken ontbreken van pintransacties in [woonplaats] (waar zij haar appartement had) of elders dringt zich de conclusie op dat de vrouw buiten de genoemde 2 periodes van circa een week bij [partner] in [woonplaats] heeft verbleven. Gelet op dit verblijf gedurende zo lange aaneengesloten periodes concludeert de rechtbank dat de vrouw in ieder geval op 1 april 2013 duurzaam samenwoont met haar partner [partner].

Die conclusie wordt ook gedragen door het extreem lage energie- en waterverbruik van het appartement in [woonplaats] van de vrouw.
De watermeter stond op 1 maart 2012 op 120 kub en op 31 mei 2013 op 137 kub. Een verbruik van slechts 17 kub in 15 maanden. Dat, zoals de vrouw stelt, bij de eindopname waarschijnlijk een verschrijving zou hebben plaatsgevonden, heeft zij niet met nadere stukken onderbouwd. Gelet op het belang daarvan had de vrouw een eindafrekening van de WML en een verklaring van de verhuurder en betalingen van het waterverbruik kunnen overleggen. Bij gebreke daarvan moet het ervoor worden gehouden dat het waterverbruik voor het appartement met als enige bewoner de vrouw omgerekend neerkomt op net 1 kub per maand.

Het kWh verbruik in de periode 1 oktober 2012 tot en met 31 maart 2013 was 295. Dit verbruik is blijkens de eindafrekening door Essent berekend. Per eind mei 2013 heeft de vrouw de eindstand opgenomen in verband met haar vertrek uit het appartement. Indien met die eindstand rekening wordt gehouden, blijkt het gemiddelde verbruik per maand in de periode tot 1 april 2013 steeds te blijven neerkomen op nog geen 50 kWh per maand. Afgezet tegen een door de vrouw niet bestreden gemiddeld verbruik van circa 2000 kWh per jaar kan het verbruik van 50 kWh als extreem laag (mede gezien de wintertijdperiode) worden gekwalificeerd. Dat het appartement zou worden gekenmerkt door een “altijd laag” verbruik, zoals door de vrouw gesteld maakt niet duidelijk op welk laag getal wordt gedoeld nog daargelaten dat dit niet met gegevens over bepaalde representatieve periodes door de vrouw is onderbouwd. Aan deze stelling wordt geen waarde toegekend.

Beide extreem lage verbruiken maken duidelijk dat de vrouw heel weinig in haar appartement in de bedoelde periode heeft verbleven. Aan de hand van hetgeen is overwogen, kan – bij gebreke van een andere verklaring zijdens de vrouw – niet anders worden geconcludeerd dan dat de vrouw bij haar partner [partner] heeft verbleven in het bedoelde tijdvak.

Uit de verklaring van [partner], de partner van de vrouw, blijkt dat als hij en de vrouw samen waren zij samen de ouders van [partner] en wederzijdse familie bezochten, dat zij samen boodschappen deden en ook samen wel eens gingen uit eten, waarbij de ene keer de een en de ander keer de ander betaalde (zonder dat van enige verrekening is gebleken). Uit de door de vrouw in of de omgeving van [woonplaats] verrichte pintransacties blijkt dat ze regelmatig normale huishoudelijke uitgaven heeft verricht en uit de diverse pinopnames kan, bij gebreke van een andere verklaring, worden afgeleid dat daarmee de kosten van de primaire levensbehoeften van beiden zullen zijn betaald. Kortom [partner] en de vrouw heeft in de bedoelde periode een gemeenschappelijke huishouding gevoerd en zij hebben elkaar wederzijds verzorgd.

De vrouw moet de door de man ten onrechte aan haar betaalde alimentatie terugbetalen. Vanaf die datum heeft de vrouw als geen ander geweten dat zij met [partner] samen heeft gewoond en heeft zij rekening kunnen houden met een te zijner tijd op te leggen terugbetalingsverplichting.

De man vordert de door hem gemaakte kosten van het door hem ingeschakelde recherchebureau omdat hij tot het maken van die kosten genoopt is geweest nu de vrouw haar samenwoning heeft trachten te maskeren.
De rechtbank heeft het rapport van dit bureau niet nodig gehad om te komen tot de beslissing dat de vrouw met een ander samenleeft als ware zij gehuwd. Om die reden is er geen aanleiding de vrouw tot betaling van die kosten te veroordelen. Datzelfde geldt voor de kosten van het horen van de betreffende detective.

De vrouw dient de werkelijke proceskosten die de man heeft gemaakt, meer in het bijzonder die van zijn advocaat, aan de man te betalen. De man heeft die kosten tot 2 december 2013 begroot op € 3.283,90 onder de toevoeging p.m. overige advocaatkosten en nakosten. De man heeft bij akte na getuigenverhoren die p.m. posten niet geëxpliciteerd. Dit heeft wel op de weg van de man gelegen. De rechtbank zal de overige proceskosten op de voet van het gebruikelijke liquidatietarief begroten. De door de vrouw terug te betalen hoofdsom (alimentatie) bedraagt een bedrag van ruim € 20.000,00 zodat het bijbehorende tarief van € 579,00 per punt geldt. Het aantal punten becijfert de rechtbank op 3 (mondelinge zitting, enquete/contra-enquete en akte na getuigenverhoren). Dat leidt tot een bedrag aan extra proceskosten van € 1.737,00 te vermeerderen met het griffierecht van € 274,00.

Rechtbank Limburg 17 november 2015, ECLI:NL:RBLIM:2015:11085