Neemt de huwelijksgerelateerde behoefte af door tijdsduur na scheiding?

De grondslag voor partneralimentatie is de door het huwelijk tussen echtgenoten ontstane lotsverbondenheid. Naarmate partijen langer uit elkaar zijn, heeft dit tot gevolg dat de lotsverbondenheid afneemt en dat van de onderhoudsgerechtigde verwacht mag worden dat zij zich zal inspannen om in het eigen levensonderhoud te kunnen voorzien. De stelling van de vrouw dat zij niet in staat is in haar eigen levensonderhoud te voorzien, is door de man gemotiveerd betwist. Tegenover deze gemotiveerde betwisting door de man had het op de weg van de vrouw gelegen om aan te tonen en met bewijsstukken te onderbouwen dat sprake is van gegronde redenen waarom zij er niet in is geslaagd in de loop der jaren geheel of gedeeltelijk in haar eigen levensonderhoud te gaan voorzien. De vrouw heeft dit nagelaten.

Naar maatschappelijke normen mag van de vrouw gevergd worden dat zij verantwoordelijkheid neemt om - naarmate de jaren na de echtscheiding verstrijken – te trachten in haar eigen levensonderhoud te gaan voorzien. De tendens van de afgelopen jaren is dat algemeen wordt aangenomen dat van een onderhoudsgerechtigde kan en mag worden verwacht dat deze na een scheiding zoveel mogelijk zelf in zijn eigen levensonderhoud voorziet.

De opstelling van de vrouw waarin zij geen aantoonbare inspanningen heeft geleverd om in haar eigen levensonderhoud te gaan voorzien, acht het hof niet passend bij de eigen verantwoordelijkheid die de vrouw heeft om in haar eigen behoefte te voorzien. Anticiperend op de toenemende verdiencapaciteit die van de vrouw had mogen worden verwacht alsmede het afnemen van de lotsverbondenheid tussen partijen naarmate zij langer uit elkaar zijn en daarmee op de verkleurende behoefte van de vrouw, stelt het hof de minimum behoefte van de vrouw na het verstrijken van de 12-jaarstermijn vast op een bedrag gelijk aan het minimumloon, te weten € 1.507,80 bruto per maand. De echtscheiding van partijen is ingeschreven op 27 december 2005, zodat de 12-jaarstermijn aanvangt op 27 december 2005.

Gerechtshof Den Haag 30 september 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:2744