Het verzoek van de moeder om met de minderjarigen naar een plaats 65 kilometer verderop te mogen verhuizen, wordt afgewezen. Meerdere verhuizingen.

Het hof is op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting van oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft beslist als zij heeft gedaan. Het hof neemt de gronden over en maakt deze tot de zijne. Naar het oordeel van het hof zijn in hoger beroep geen nieuwe feiten en omstandigheden aangevoerd die tot een andersluidend oordeel zouden moeten leiden. Het hof overweegt daarbij in het bijzonder nog dat het in het belang van de minderjarigen is dat er een zekere mate van continuïteit in hun leefomgeving blijft bestaan. Dit klemt temeer daar de moeder en de minderjarigen medio 2014 al van [huidige woonplaats] naar [beoogde woonplaats] zijn verhuisd en uiteindelijk weer naar [huidige woonplaats] zijn teruggekeerd. Een nieuwe verhuizing zou deze thans ontstane continuïteit doorbreken en zonder enige twijfel wederom voor onrust bij de minderjarigen zorgen. Verder neemt het hof in aanmerking dat de moeder inmiddels over een eigen woonruimte beschikt in [huidige woonplaats] en een bijstandsuitkering ontvangt, waardoor er meer stabiliteit in haar leven en dat van de minderjarigen is. Bovendien is ter zitting in hoger beroep gebleken dat de situatie tussen partijen verbeterd is en de ook de omgang goed verloopt. Alle belangen en omstandigheden in aanmerking nemende is het hof met de rechtbank van oordeel dat het belang van de moeder bij verhuizing naar [beoogde woonplaats] niet zwaarder weegt dan het belang van de minderjarigen om in hun vertrouwde omgeving te blijven wonen, alsmede het belang van de vader om invulling te geven aan zijn vaderrol. Het hof zal het verzoek van de moeder om vervangende toestemming te verlenen om met de minderjarigen naar [beoogde woonplaats] te verhuizen dan ook afwijzen en de bestreden beschikking op dit punt bekrachtigen.

Gerechtshof Den Haag 24 juni 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:2473