Alimentatie vastgesteld met passeren van tremanormen

In deze uitspraak heeft het gerechtshof de strikte toepassing van de tremanormen gepasseerd. Dit kan ook aangezien de tremanormen geen wet zijn. Duidelijk is wel dat afwijking van de tremanormen niet zomaar werd toegepast. Het Hof geeft 8 redenen waarom in dit geval ten nadele van de man werd afgeweken.

Het hof acht het dan ook in dit geval opportuun om op andere wijze dan met behulp van de Tremanormen te bepalen welke middelen de man in redelijkheid ten dienste staan om niet alleen in zijn eigen kosten van levensonderhoud te voorzien, maar ook in die van de vrouw bij te dragen. Daartoe slaat het hof - naast hetgeen hierboven is overwogen - acht op de volgende feiten en omstandigheden:
a. Gedurende in elk geval de laatste jaren van het huwelijk van partijen was de wijze van bedrijfsvoering en financiering van de bedrijven van de man niet wezenlijk anders dan thans. Gedurende die jaren hebben partijen in redelijke welstand kunnen leven zoals blijkt uit de hierboven berekende huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw.
b. Afgezien van onttrekkingen ten behoeve van inbreng in de v.o.f. H&M International Trading - waarover hieronder nader - heeft de man na het vertrek van de vrouw, zoals blijkt uit de overgelegde jaarrekeningen van zijn eenmanszaak, de volgende bedragen aan privéonttrekkingen genoten:
2009/2010: € 63.313,-
2010/2011: € 74.040,-
2011/2012: € 84.869,-.
Kennelijk heeft hiervoor de benodigde financieringsruimte bestaan.
c. Naast de ruimte om bovengenoemde privéonttrekkingen te doen heeft de man in 2010/2011 een bedrag van € 81.107,- aan zijn eenmanszaak onttrokken ter investering in bovengenoemde v.o.f., en in 2011/2012 een bedrag van € 55.153,-. Ook hiervoor bestond kennelijk financieringsruimte.
d. Als gevolg van de verkoop van 13.01 ha grond in 2009/2010 is het eigen vermogen van de man gedeeltelijk hersteld en zijn de toenmalige liquiditeitsproblemen opgeheven. De man heeft de uit die verkoop resterende gelden (deels) geïnvesteerd in en/of geleend aan bovengenoemde v.o.f.; hij heeft thans nog per saldo ruim € 200.000,- ter zake van zijn toenmalige vennoot te vorderen, terwijl hij in 2012/2013 een bedrag van € 80.000,- retour heeft ontvangen. Het hof heeft geen aanleiding om te veronderstellen dat de man dit resterende bedrag niet zal terugontvangen.
e. De man heeft gesteld dat hij onder bijzonder beheer van de bank valt, maar dat blijkt niet uit de stukken waarvan het hof kennis heeft genomen.
f. Voor zover er van bijzonder beheer sprake is is niet duidelijk geworden om welke reden de bank daartoe is overgegaan; er zijn meerdere redenen denkbaar dan dat het met het bedrijf niet goed zou gaan, zoals mogelijkerwijs het feit dat de man in een risicoland heeft geïnvesteerd.
g. Gezien de fiscale verliezen die over afgelopen jaren nog verrekend kunnen worden betaalt de man geen inkomstenbelasting en zal hij - ervan uitgaande dat zich voor het overige geen substantiële wijzigingen in inkomsten of lasten zullen voordoen - de komende jaren geen of weinig fiscaal voordeel hebben van de betaling van partneralimentatie. Brutering van de door de man te betalen bijdrage dient daarom thans achterwege te blijven.
h. De man woont samen met een partner die over eigen inkomen beschikt. Hij kan de kosten van levensonderhoud dus delen.

Al deze feiten en omstandigheden in aanmerking genomen constateert het hof dat de man over voldoende financiële ruimte beschikt en kan beschikken om een substantiële bijdrage te betalen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw. Een andere gevolgtrekking acht het hof overigens, niet alleen in de onderlinge relatie tussen de man en de vrouw als ex-echtgenoten maar ook maatschappelijk, in de gegeven omstandigheden onaanvaardbaar. Dat deze ruimte formeel geheel of ten dele niet uit inkomsten maar uit vermogen voortvloeit maakt dat onder de hierboven geschetste bedrijfsmatige omstandigheden niet anders. Ook vermogen, waartoe ook financieringsruimte waar slapend vermogen tegenover staat valt te rekenen, behoort onder omstandigheden zoals de onderhavige tot de financiële middelen waarover de man kan beschikken en bepaalt mede diens draagkracht.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 10 september 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:6987