Kinderalimentatie en de invloed van een nieuwe partner die volgens de alimentatieplichtige niet in staat is eigen inkomsten te genereren.

In deze casus is een korte maar lezenswaardige conclusie van de Advocaat-Generaal van de Hoge Raad opgenomen waarin de stand van zaken goed wordt weergegeven:
Het gaat in deze zaak om het volgende. Partijen, verder: de man en de vrouw, zijn gewezen echtgenoten. Uit hun huwelijk zijn drie kinderen geboren: [kind 1], geboren op [geboortedatum] 1991, [kind 2], geboren op [geboortedatum] 1992 en [kind 3], geboren op [geboortedatum] 1995. De vrouw heeft bij haar op 8 januari 2008 ingediend inleidend verzoekschrift wijziging verzocht van de eerder bij de echtscheidingsbeschikking van 2 augustus 2002 vastgestelde bijdrage in de verzorging en opvoeding van de drie kinderen van partijen, die allen hun hoofdverblijf bij de vrouw hebben. Deze bijdrage bedroeg inclusief de wettelijke indexering in 2008 € 32,78 per kind per maand.
De rechtbank te Breda heeft bij beschikking van 1 april 2008 de bijdrage conform het verzoek van de vrouw gesteld op € 131,- per maand per kind met ingang van 8 januari 2008, op grond van de overweging dat de man geen verweer heeft gevoerd en dat het verzoek de rechtbank onrechtmatig noch ongegrond voorkomt.
Het hof te 's-Hertogenbosch heeft de beschikking van de rechtbank bij beschikking van 22 januari 2009 vernietigd en de bijdrage bepaald op € 65,- per maand per kind met ingang van 1 september 2008 met afwijzing van het meer of anders verzochte waaronder het verzoek van de vrouw voor de periode van 8 januari 2008 tot 1 september 2008. Het hof heeft daarbij de man niet gevolgd in zijn betoog dat bij het bepalen van zijn draagkracht rekening ermee moet worden gehouden dat hij inmiddels is hertrouwd met een uit Marokko afkomstige vrouw die een inburgeringscursus volgt en daarom niet in staat is, aldus de man, eigen inkomsten uit arbeid te verwerven. Het hof heeft daartoe overwogen (rov. 4.10 onder B) dat het een keuze van de man is geweest te huwen met een vrouw die, zo stelt de man, niet in haar eigen levensonderhoud kan voorzien, dat het de man uiteraard vrij staat deze keuze te maken, doch dat de financiële gevolgen van deze aan de man toekomende keuze niet ten laste van de draagkracht van de man mogen worden gebracht aangezien de man een dringende wettelijke onderhoudsverplichting heeft jegens zijn drie kinderen uit zijn eerdere huwelijk.
Cruciaal is in deze zaak is dat de man
niet meer gesteld had dan dat hij hertrouwd was met een uit Marokko afkomstige vrouw die een inburgeringscursus heeft gevolgd en om die reden geen eigen inkomsten kon verwerven.
Uitgangspunt is volgens de Hoge Raad dat het enkele feit dat een alimentatieplichtige vader zijn leven met een nieuwe partner is gaan delen en zich aldus in een nieuwe gezinssituatie heeft begeven, die tot een ongunstiger verhouding tussen inkomsten en uitgaven heeft geleid, onvoldoende is om de ten behoeve van het kind verschuldigde bijdrage op een lager niveau te bepalen dan anders verschuldigd zou zijn en zo de belangen van het kind bij die van de nieuwe partner achter te stellen. De omstandigheden van het geval kunnen evenwel anders meebrengen, waarbij met name valt te denken aan de mate waarin de voor het kind verlangde bijdrage een redelijk bestaansniveau van het nieuwe gezin zou aantasten, de aanwezigheid van kinderen in het nieuwe gezin en de mogelijkheid van de vader en zijn nieuwe partner om zich door werkzaamheden als van hen kunnen worden gevergd, verdere inkomsten te verwerven.
Uit deze jurisprudentie volgt dat de alimentatieplichtige die zich op de lasten in verband met een nieuw gezin wil beroepen, dient te stellen (en waar nodig) aan te tonen dat er omstandigheden aanwezig zijn die rechtvaardigen dat ten gunste van het nieuwe gezin (enige) achterstelling van de vóórkinderen plaatsvindt. Van een ambtshalve onderzoeksplicht van de rechter als door het cassatiemiddel bedoeld is derhalve geen sprake.
De AG wijst hiernaast nog op het nieuwe artikel 1:400 lid 1 BW.
Volledigheidshalve vermeld ik dat met de inwerkingtreding van de Wet Bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding (Stb. 2008, 500) met ingang van 1 maart 2009 in art. 1:400 lid 1 BW een wettelijke voorrangsregeling voor kinderalimentatie (kinderen die de leeftijd van een en twintig jaren nog niet hebben bereikt) is opgenomen.
Hoge Raad, 11 december 2009, LJN
BK0865