Verzoek grootouders om omgangsregeling. Geen nauwe persoonlijke betrekking.

4.3
De grootouders hebben in dit verband aangevoerd dat sprake is geweest van een intensief contact met de kleinkinderen, dat zij veelvuldig hebben opgepast op de kleinkinderen en dat met name de grootmoeder actief betrokken was bij de opvoeding en verzorging van [de minderjarige1] .

4.4
De moeder erkent dat er regelmatig contact tussen de grootouders en de kleinkinderen is geweest, maar stelt dat dit een normaal contact tussen grootouders en kleinkinderen betrof. De grootouders pasten volgens de moeder wel eens op, maar van een actieve betrokkenheid bij de opvoeding was geen sprake.

4.5
Het hof is van oordeel dat op grond van de door de grootouders genoemde feiten en omstandigheden, welke door de moeder grotendeels zijn betwist, geconcludeerd moet worden dat geen sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de grootouders en de kleinkinderen. Niet vast is komen te staan dat de contacten tussen de grootouders en de kleinkinderen anders zijn geweest dan gebruikelijke, in het dagelijks verkeer plaatsvindende contacten tussen grootouders en kleinkinderen. De door de grootouders overgelegde foto’s, waarop de kleinkinderen zijn te zien met de grootouders, acht het hof onvoldoende om dit aan te tonen. Deze foto's tonen aan dat er contact is geweest tussen de grootouders en de kleinkinderen, en dat bezoeken van de kleinkinderen aan de grootouders hebben plaatsgevonden. Dat wordt door de moeder echter ook niet betwist. Tot 2003 woonden de grootouders nabij het gezin, de achtertuinen grensden aan elkaar. Vast staat dat de grootouders en met name de grootmoeder in die periode regelmatig contact hadden met de kleinkinderen. Wat echter niet vast is komen te staan is dat dit contact tussen de grootouders en de kleinkinderen zodanig was dat de grootouders een substantieel deel van de verzorging en opvoeding van de kleinkinderen voor hun rekening hebben genomen of dat sprake was van een zodanig structurele en intensieve oppasregeling dat deze het gebruikelijke contact tussen grootouders en kleinkinderen oversteeg. De grootouders hebben weliswaar nog aantekeningen uit de agenda van de grootmoeder overgelegd waaruit volgens hen blijkt dat de grootmoeder na de geboorte van [de minderjarige1] een grote rol in haar verzorging en opvoeding heeft gespeeld, maar deze aantekeningen zien op de periode vlak na [de minderjarige1] geboorte en het hof acht het niet ongebruikelijk dat grootouders na een geboorte tijdelijk intensiever bij het gezin van hun kinderen betrokken zijn dan anders het geval is. In 2003 zijn de grootouders in [A] gaan wonen en zagen zij de kleinkinderen nog regelmatig, tijdens bezoeken over en weer. Nadat de vader en de moeder uit elkaar zijn gegaan, is het contact tussen de grootouders en de kleinkinderen steeds minder geworden en de laatste jaren, toen ook het contact tussen de vader en de kinderen is verbroken, is er nog maar sporadisch contact geweest tussen de grootouders en de kleinkinderen. Het hof is met de grootouders van oordeel dat hun contactbreuk met de kleinkinderen van de laatste jaren, die parallel liep met de contactbreuk van de vader met zijn kinderen, niet zonder meer tot de conclusie kan leiden dat geen sprake (meer) is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen hen en de kleinkinderen, echter het hof acht de contacten tussen de grootouders en de kleinkinderen ook in de periode daarvoor niet zodanig bijzonder dat gesproken kan worden van een nauwe persoonlijke betrekking.

4.6
Op grond van het vorenstaande kunnen de grootouders niet worden ontvangen in hun verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling met de kleinkinderen wegens het ontbreken van een nauwe persoonlijke betrekking. De beschikking waarvan beroep zal in zoverre worden bekrachtigd.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 9 februari 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:1045