Opnieuw. De rechter is niet verplicht op iedere stelling van een partij in te gaan.

Als grondbeginsel van een behoorlijke rechtspleging geldt dat elke rechterlijke beslissing ten minste zodanig moet worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geeft in de aan haar ten grondslag liggende gedachtegang om de beslissing zowel voor partijen als voor derden – in geval van openstaan van hogere voorzieningen: de hogere rechter daaronder begrepen – controleerbaar en aanvaardbaar te maken. De motivering van de bestreden beschikking voldoet ruimschoots aan deze eis. Ook naar vaste rechtspraak van het EHRM over art. 6 lid 1 EVRM moet een rechterlijke uitspraak worden gemotiveerd. Deze eis gaat niet zo ver dat zij een gedetailleerd antwoord van de rechter op ieder aangevoerd argument verlangt. In het algemeen is voldoende dat de rechter in zijn redengeving de voor toe- of afwijzing van de vordering of het verzoek essentiële stellingen of weren behandelt. Op bijzondere motiveringseisen – al dan niet voortvloeiend uit het Verdrag inzake de rechten van het kind – is in dit geding geen beroep gedaan. De motivering van het hof in rov. 4.3 en 4.4 sluit aan bij de aanhaalde wettelijke bepalingen. Zij is nader uitgewerkt in rov. 4.5 - 4.8, begrijpelijk voor de lezer en kan de beslissing dragen. De algemene motiveringsklacht faalt om deze redenen.

Parket bij de Hoge Raad 6 november 2015, ECLI:NL:PHR:2015:2230

Dit is gevolgd door de Hoge Raad op 15 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:72

Zie ook: HR 25 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2823 die eerder op deze website is besproken.