Ondertoezichtstelling van Laura blijft gehandhaafd

In deze zaak ging het niet uitsluitend om de gronden van de ondertoezichtstelling. Ook werd een vraag over de bevoegdheid van de rechter in Utrecht aan de orde gesteld en het recht van het kind om zelfstandig hoger beroep in te stellen. In dit stuk zal ik mij beperken tot het weergeven van het oordeel van het gerechtshof omtrent de gronden van de ondertoezichtstelling.
Een minderjarige kan ingevolge artikel 1:254 lid 1 BW onder toezicht worden gesteld van de stichting indien hij zodanig opgroeit dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen.
Het hof is van oordeel dat de twee jaar durende solozeilreis, zoals die op dit moment is gepland en voorbereid, voor zover dit ter kennis van het hof is gebracht, grote en onaanvaardbare risico’s voor [het kind] met zich brengt. Naar het oordeel van het hof behoort het tot de taak van de ouders om hun minderjarig kind voor deze risico’s te behoeden. Indien zij dit nalaten is in beginsel sprake van ernstige bedreiging van het kind in de zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid. Het hof stelt vast dat de vader [het kind] niet zal tegenhouden in de uitvoering van het plan nu hij de (grote) risico’s die aan de zeilreis kleven, voor zover hij deze risico’s al onderkent, voor lief neemt en inherent acht aan het bedrijven van topsport. Ook de moeder zal [het kind] de zeiltocht niet verbieden. Naar het oordeel van het hof is er dan ook sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging. Met de rechtbank acht het hof denkbaar dat er in bepaalde gevallen middelen kunnen zijn om deze ernstige bedreiging weg te nemen. Uit de stukken en hetgeen ter mondelinge behandeling naar voren is gekomen, is naar het oordeel van het hof evenwel onvoldoende gebleken dat er ten tijde van de beschikking van de rechtbank of thans middelen zijn waarmee deze ernstige ontwikkelingsbedreiging van [het kind] kan worden afgewend. De gronden voor een ondertoezichtstelling zijn daarom aanwezig. In dit kader overweegt het hof het volgende.
Ten aanzien van de sociaal-emotionele en identiteitsontwikkeling van [het kind] verwijst het hof naar hetgeen de rechtbank daarover op basis van het psychologisch onderzoek van drs. Moonen heeft overwogen. De rechtbank zag gelet op dit onderzoek redenen tot zorg, maar oordeelde dat geen sprake was van een ontwikkelingsbedreiging.
Inmiddels is gebleken dat [het kind] het na de beschikking van de rechtbank moeilijk heeft gehad. Zij verzuimde van school en vertelde dat zij het leven niet meer zag zitten. De leerplichtambtenaar heeft aan de raad gemeld dat er in december 2009 op school een aantal keren sprake is geweest van automutilatie en dat de schoolresultaten van [het kind] achteruit waren gegaan. Gebleken is dat de vader hiervoor geen hulp heeft ingeschakeld, omdat wat hem betreft de oorzaak van het probleem van [het kind], in zijn optiek de tegenwerking door de raad en de stichting, daarmee niet zou worden weggenomen. Zowel [het kind] als de vader hebben verklaard dat zij in die periode veel samen hebben gepraat, maar dit heeft, zo constateert het hof, niet kunnen voorkomen dat [het kind] op 17 december 2009 is weggelopen en dat zij alleen en zonder medeweten van de ouders en de stichting naar Sint Maarten is vertrokken. Hoewel gebleken is dat het sindsdien met [het kind] weer beter gaat, is naar het oordeel van het hof uit de ontwikkelingen die zich hebben voorgedaan af te leiden dat [het kind] in haar sociaal-emotionele en identiteitsontwikkeling ernstig wordt bedreigd. [het kind] zelf stelt enerzijds dat zij bij nieuwe problemen met haar vader zal gaan praten. Anderzijds geeft zij aan dat het gedrag juist is ontstaan, omdat zij anderen niet met haar woede wilde belasten. Dit komt overeen met het antwoord dat [het kind] tijdens het persoonlijkheidsonderzoek van drs. Moonen heeft gegeven, te weten dat zij angst meestal niet aan anderen laat merken. Hierbij komt dat uit het raadsrapport van 21 oktober 2009 naar voren komt dat de vader [het kind] overschat en overvraagt en geneigd is risico’s te bagatelliseren. Dat een walteam [het kind] emotionele ondersteuning zou kunnen bieden is niet vast te stellen, omdat de vader tot op heden niet bereid is geweest inzage te geven in de omvang, samenstelling en werkwijze van dit team. Ter mondelinge behandeling bij dit hof is komen vast te staan dat het in de beschikking van de rechtbank aangehaalde plan een volgboot te laten meevaren door [het kind] wordt afgewezen omdat dat afdoet aan de solistische prestatie en dus niet meer aan de orde is, zodat vanuit die hoek evenmin hulp kan worden verwacht. Samenvattend concludeert het hof dat sprake is van een bedreiging van de sociaal-emotionele en identiteitsontwikkeling van [het kind] en dat onvoldoende is gedaan om deze af te wenden.
In de cognitieve ontwikkeling van [het kind] constateert de rechtbank een ontwikkelingsbedreiging. Het hof stelt vast dat thans, vijf maanden na de beschikking van de rechtbank, nog steeds geen duidelijkheid is verstrekt over de gesignaleerde problemen. De vader heeft verklaard dat er contact is geweest met een contactpersoon van de Wereldschool, maar schriftelijke informatie over het te volgen traject is niet overgelegd. Bovendien bestaat het probleem van de inschrijving bij de Wereldschool nog steeds onverkort. De Nederlandse leerplichtambtenaar dient [het kind] vrijstelling te verlenen voor twee jaar. Omdat de leerplichtwet hiertoe geen ruimte biedt, is deze niet bereid de ontheffing te verlenen. Bij brief van 7 juli 2009 heeft de ambtenaar de vader laten weten dat het feit dat [het kind] zal worden aangemeld bij de Wereldschool zijn beslissing niet anders maakt. De vader heeft voor dit probleem geen oplossing aangedragen. Het hof acht de cognitieve ontwikkeling van een kind van groot belang. Dat het volgen van adequaat onderwijs tijdens de reis niet is geregeld, brengt daarom een cognitieve ontwikkelingsbedreiging met zich.
Tot slot zijn de fysieke veiligheid van [het kind] en haar copingsvaardigheden van belang. Ook op dit gebied heeft de rechtbank mede op basis van het psychologisch onderzoek van Moonen een ontwikkelingsbedreiging vastgesteld. Aan deze bedreiging legt de rechtbank verschillende redenen ten grondslag. Zo zijn er zorgen over het feit dat [het kind] geen EHBO-diploma heeft, geen ervaring met slaapmanagement heeft opgebouwd en zijn er twijfels over haar solozeilervaring. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat geen uitgebreid veiligheidsplan is opgesteld met daarin een lijst van vluchthavens, een plan voor communicatie met de wal, een stappenplan voor de veiligheid in de havens en duidelijkheid over de aanwezigheid van een secundaire stroomvoorziening.
Naar het oordeel van het hof is onvoldoende gebleken dat de door de rechtbank aangedragen verbeteringen om de veiligheid van [het kind] te waarborgen zijn doorgevoerd. Ter mondelinge behandeling is komen vast te staan dat [het kind] slechts één ervaring op volle zee heeft opgedaan. Sinds de beschikking van de rechtbank heeft zij een aantal malen op het IJsselmeer gezeild, maar tot een zeiltocht over volle zee is het niet meer gekomen. De enige ervaring die [het kind] met zeezeilen heeft opgedaan, is haar tocht naar Engeland geweest en het varen op de Wadden- en de Noordzee. De vader heeft ter mondelinge behandeling bij het hof verklaard het nut van het opdoen van ervaringen ook niet in te zien. Volgens hem heeft geen enkele zeezeiler tijdens zijn eerste tocht ervaring, omdat je daarvoor eerst moet vertrekken. Het hof kan deze stelling van de vader niet volgen, omdat het zeilen op (volle) zee kan worden geoefend voorafgaand aan en los van een solozeiltocht om de wereld. De vader en [het kind] stellen bezig te zijn met de EHBO-cursus en met het slaapmanagement gedurende één week thuis te hebben geoefend. Dat dit het geval is, is door de raad en de stichting niet weersproken. Of dit voldoende is voor het ondernemen van een solozeiltocht om de wereld kan het hof niet beoordelen. Ten aanzien van het op te stellen veiligheidsplan heeft de stichting verklaard dat de vader, na zich aanvankelijk erg tegen de samenwerking met haar te hebben verzet, op 25 maart 2010 met zijn advocaat en de stichting hierover in gesprek is getreden. Dit gesprek is constructief verlopen. De stichting heeft ingezien dat het opstellen van een vluchthavenlijst een onmogelijke opgave is en dat op de nieuwe boot van [het kind] een secundaire stroomvoorziening aanwezig is. De stichting heeft de indruk dat de vader bezig is concreet invulling te geven aan de overige punten. Hoewel het positief is dat de verstandhouding tussen de vader en de stichting is verbeterd, baart het het hof zorgen dat van het gesprek tussen de vader en de stichting en de plannen van de vader tot op heden niets op papier is gezet. Het hof heeft door dit verloop nog geen zicht kunnen krijgen op het al dan niet vorderen van het veiligheidsplan. Daarnaast speelt een rol dat is gebleken dat de stichting en de vader nog geen vervolgafspraak hebben gemaakt over de verdere uitwerking van het plan. Dit brengt een risico met zich aangezien de samenwerking tussen de stichting en de vader in het verleden moeizaam van de grond kwam. Bovengenoemde omstandigheden in aanmerking genomen is het hof van oordeel dat nog niet is aangetoond dat de veiligheid van [het kind] tijdens de reis voldoende zal zijn gewaarborgd. Van een ontwikkelingsbedreiging is daarom nog steeds sprake, hetgeen temeer geldt nu uit het onderzoek van Moonen en uit hetgeen ter mondelinge behandeling naar voren is gekomen blijkt dat de vader en [het kind] de risico’s die aan de reis zijn verbonden slechts in beperkte mate inzien.
Uit het voorgaande volgt dat [het kind] zodanig opgroeit dat zij op meerdere ontwikkelingsgebieden in haar zedelijke of geestelijke belangen of gezondheid ernstig wordt bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen. De bestreden beschikking dient dan ook te worden bekrachtigd. In de aard van de procedure ziet het hof aanleiding de proceskosten in hoger beroep te compenseren.
Gerechtshof Arnhem, 4 mei 2010, LJN
BM2916