Zeer ernstige partnerstrijd tussen partijen. Toepassing klemcriterium. Beeindiging vastgestelde verdeling zorg- en opvoedingstaken

Het hof overweegt dat de rechtbank en het hof alle in het gegeven geval mogelijke en gepaste maatregelen hebben genomen om onbelast contact tussen de vader en [de zoon] te realiseren, waartoe de rechter op grond van de Hoge Raad van 17 januari 2014 (ECLI:NL:HR:2014:91) ook gehouden is, maar dat die maatregelen niet tot enige vorm van contact tussen [de zoon] en de vader hebben geleid. Het hof ziet thans dan ook geen mogelijkheden meer om te komen tot een onbelast contact tussen de vader en [de zoon], zonder dat [de zoon] daarbij tussen de ouders klem of verloren raakt. Het hof acht daarom contact tussen de vader en [de zoon] op dit moment niet in het belang van [de zoon].

Het hof ziet – anders dan de rechtbank – echter geen aanleiding om de vader het recht op contact met [de zoon] te ontzeggen. Het hof overweegt daartoe dat de deskundigen geen contra-indicaties in de persoon van de vader voor contact tussen de vader en [de zoon] hebben waargenomen. De moeder blijft de vader weliswaar beschuldigen van intimidatie en bedreiging, maar tot op heden heeft de moeder geen aantoonbare bewijzen overgelegd die haar stellingen onderschrijven en ook geen uitspraak waaruit blijkt dat de vader onlangs is veroordeeld. Het hof is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat niet is gebleken dat sprake is van de in artikel 1:377a lid 3 BW genoemde ontzeggingsgronden. Het hof merkt daarbij nog uitdrukkelijk op dat de ernstige weerstand van de moeder tegen de persoon van de vader geen ontzeggingsgrond als bedoeld in artikel 1:377a lid 3 BW oplevert. Het hof zal daarom volstaan met de door de rechtbank vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken te beëindigen en het verzoek van de moeder om de vader het recht op contact met [de zoon] te ontzeggen alsnog af te wijzen.

Het hof overweegt tot slot dat de houding en opstelling van de moeder waarbij zij [de zoon] ieder contact met de vader onthoudt volstrekt onaanvaardbaar is, nu op grond van het bepaalde in artikel 1:247 lid 3 BW op haar de verplichting rust om de ontwikkeling van de banden van [de zoon] met de vader te bevorderen. Nu de moeder blijkens het deskundigenbericht vast zit in de overtuiging dat contact tussen de vader en [de zoon] pas wenselijk is wanneer [de zoon] daar zelf om zou vragen, geeft zij hiermee blijk van haar verplichting ex artikel 1:247 lid 3 BW niet na te komen. Het hof merkt op, dat de huidige situatie waarbij ieder contact tussen [de zoon] en de vader gedurende een groot aantal jaren volledig ontbreekt geen eindstation mag zijn. Het hof verwacht dan ook van de moeder dat zij zich in de toekomst zal inspannen om onbelast contact tussen de vader en [de zoon] mogelijk te maken.

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 4 december 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:5126