Uitkeringsfraude levert geen verknochte schuld op.

Grief 1 in het principaal appel klaagt over de beslissing van de rechtbank dat de schuld bij het UWV bij helfte door partijen dient te worden gedragen. Volgens de vrouw is deze schuld aan de man verknocht en valt deze schuld dus buiten de te verdelen gemeenschap van goederen. Zij heeft aangevoerd dat deze schuld is ontstaan doordat de man, buiten haar medeweten, met zijn WW-uitkering heeft gefraudeerd en dat de man de daardoor verkregen gelden uitsluitend ten behoeve van zichzelf heeft besteed. De redelijkheid en billijkheid verzetten zich volgens haar tegen een verdeling bij helfte van de vordering. Voorts acht zij de beslissing van de rechtbank niet voldoende gemotiveerd.

De man heeft hier tegenin gebracht dat de schuld geen uitzondering als bedoeld in artikel 1:94 BW vormt en dat het beroep van de vrouw op de redelijkheid en billijkheid faalt. Volgens de man heeft de vrouw van begin af aan geweten van de fraude en zijn de gelden steeds aangewend voor de gemeenschappelijke huishouding, zodat de vrouw hiervan heeft geprofiteerd. Daarbij heeft de vrouw niet geprobeerd een einde te maken aan de fraude, aldus nog steeds de man.

Het hof overweegt dat naar de hoofdregel van artikel 1:94 lid 2 en 5 BW de gemeenschap alle goederen en schulden van de echtgenoten omvat. Voor het op grond van artikel 1:94 lid 3 BW maken van een uitzondering op die hoofdregel is slechts plaats in uitzonderlijke gevallen. Artikel 1:94 lid 3 BW bepaalt dat goederen en schulden die aan een der echtgenoten op enigerlei bijzondere wijze verknocht zijn, slechts in de gemeenschap vallen voor zover die verknochtheid zich hiertegen niet verzet.

Partijen zijn na 1 januari 2012 van echt gescheiden. In de tekst van artikel 1:94 lid 3 BW is geen wijziging gebracht door de op 1 januari 2012 in werking getreden wet van 18 april 2011, Stb. 205, tot wijziging van de titels 6 , 7 en 8 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (aanpassing wettelijke gemeenschap van goederen). Uit de parlementaire geschiedenis van de Wet van 18 april 2011 blijkt dat de wetgever evenmin heeft beoogd wijziging te brengen in het door de Hoge Raad voor de toepassing van art. 1:94 lid 3 BW ontwikkelde criterium op het punt van de verknochtheid van goederen en schulden alsmede de gevolgen daarvan.

De vragen of een goed dan wel een schuld wegens het hoogstpersoonlijke karakter daarvan aan één der echtgenoten is verknocht en, zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet dat het goed respectievelijk de schuld in de gemeenschap valt - een en ander als bedoeld in artikel 1:94 lid 3 BW - kunnen niet in hun algemeenheid worden beantwoord. De beantwoording is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder met name de aard van dat goed respectievelijk die schuld, zoals deze mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald (vergelijk Hoge Raad 15 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC0377, HR 30 maart 2012, ECLI:NL:HR:BV1749 en Hoge Raad 7 december 2012, ECLI:NL: HR:2012:BY9057). Het is niet nodig te bezien of de redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen de deelgenoten beheerst in een andere richting wijzen. De redelijkheid en billijkheid zijn al verdisconteerd in de maatstaf van de maatschappelijke opvattingen. Deze objectieve maatstaf dient de rechtszekerheid die voor de omvang van de huwelijksgemeenschap belangrijk is in verband met rechten van derden (HR 3 november 2006, ECLI:NL:HR:2006: AX8843).

De vrouw heeft gesteld dat zij niet van de fraude wist en dat alleen de man van de onterecht verkregen gelden heeft geprofiteerd. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is namens de vrouw nog toegelicht dat het verkregen geld is opgegaan aan het uitgaansleven van de man.

Het hof acht hiermee niet voldoende omstandigheden gesteld om op grond daarvan aan te kunnen nemen dat de schuld aan het UWV aan de man verknocht is. Daarbij neemt het hof in het bijzonder in aanmerking dat de door de fraude verkregen gelden volgens de vrouw zijn opgegaan aan zaken die - vanwege de (financiële) lotsverbondenheid die het huwen in algehele gemeenschap van goederen voor partijen met zich heeft gebracht - ten laste van de goederengemeenschap behoren te komen.

Voorts constateert het hof dat de vrouw geen bewijs heeft aangeboden van haar betwiste stelling dat zij niet van de fraude wist is. Van deze stelling draagt zij ingevolge de hoofdregel van bewijsrecht van artikel 150 Rv de bewijslast.

De vrouw heeft bepleit dat de eisen van redelijkheid en billijkheid zich verzetten tegen een verdeling bij helfte van deze schuld. Het hof overweegt dat er slechts reden is om een afwijkende draagplicht voor deze schuld aan te nemen indien en voor zover een gelijke draagplicht in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het hof acht de door de vrouw daarvoor aangevoerde omstandigheden echter onvoldoende.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 26 augustus 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:7092