Partneralimentatie. Convenant. Grove miskenning van de wettelijke maatstaven (behoefte vrouw). Partijen zijn niet bewust afgeweken van de wettelijke maatstaven.

De stelling van de man, dat in het convenant een niet-wijzigingsbeding is opgenomen, volgt het hof niet. De tekst van het convenant noch hetgeen de man voor het overige heeft aangevoerd wijst op het bestaan van een dergelijk beding. Ingevolge artikel 1:401 lid 5 BW kan een overeenkomst betreffende levensonderhoud worden gewijzigd of ingetrokken, indien zij is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Met dit laatste is bedoeld dat wijziging in een dergelijk geval slechts kan plaatsvinden indien, uitgaande van dezelfde gegevens, er een duidelijke wanverhouding bestaat tussen de onderhoudsbijdrage waartoe de rechter zou hebben beslist en de bijdrage die partijen zijn overeengekomen. Het betreft dan gevallen waarin partijen onopzettelijk door onjuist inzicht of onjuiste gegevens van de wettelijke maatstaven zijn afgeweken.

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep en zoals nader toegelicht onder 4.6. van deze beschikking concludeert het hof dat op grond van het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van de samenwoning van partijen de (aanvullende) behoefte van de vrouw aan een partnerbijdrage (veel) hoger was dan € 567,-. Partijen hebben daarbij ter zitting in hoger beroep beiden aangegeven dat bij het overeenkomen van deze bijdrage de afspraken rond de boedelverdeling niet zijn betrokken, zodat hetgeen de man heeft aangevoerd omtrent het “uitruilen van posten” door het hof buiten beschouwing wordt gelaten. Het hof komt daarmee tot de conclusie dat er tussen de door partijen overeengekomen onderhoudsbijdrage en de bijdrage waartoe de rechter zou hebben beslist, een duidelijke wanverhouding bestaat. Het hof is dan ook van oordeel dat het convenant van partijen tot stand is gekomen met grove miskenning van de wettelijke maatstaven.

Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is verder het volgende gebleken. Partijen zijn in maart 2012 uit elkaar gegaan. Tussen partijen was de partneralimentatie destijds geen punt van discussie. Op voorstel van de man hebben partijen afgesproken dat de man een partnerbijdrage van € 567,- per maand zou voldoen, gelijk aan het bedrag dat hij tijdens het huwelijk aan de vrouw betaalde in verband met de maandelijkse boodschappen. Bij deze keuze zijn partijen uitgegaan van een bijdrage die de vrouw, naast haar inkomen uit arbeid, nodig zou hebben om rond te kunnen komen Zij hebben zich niet verdiept in de Tremanormen en zij hebben geen advies gevraagd aan een deskundige. Vervolgens heeft de man, in overleg met de vrouw, een advocaat benaderd, mr. M.C.J. Teurlings (hierna: Teurlings), advocaat te Amsterdam, om de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap en de door de man te betalen partneralimentatie van € 567,- per maand vast te leggen in een convenant. Er heeft een intakegesprek plaatsgevonden waarbij zowel de man als de vrouw aanwezig was en de man heeft daarna op verzoek van Teurlings een standaardmodel voor een convenant ingevuld, waarin hij onder meer een door hem te betalen partneralimentatie van € 567,- per maand heeft opgenomen. Na enig overleg over en weer via de email, waarbij het convenant op een aantal punten ten aanzien van de verdeling is gewijzigd, hebben partijen het convenant op 21 mei 2012 op het kantoor van Teurlings ondertekend. Aan Teurlings zijn geen stukken verzonden en aan de door de man te betalen partneralimentatie van € 567,- per maand lag geen nadere onderbouwing ten grondslag. De vrouw heeft zich gedurende dit besluitvormingsproces in emotionele zin laten bijstaan door haar broer, die werkzaam is in de automatisering. Partijen zijn in de echtscheidingsprocedure bij de rechtbank beiden eveneens bijgestaan door Teurlings. Het hof overweegt dat gesteld noch gebleken is dat Teurlings partijen heeft gewezen op hun wederzijdse rechten en verplichtingen met betrekking tot de onderhoudsverplichting van de man, hen heeft gewezen op de wettelijke maatstaven en met partijen heeft besproken welke partnerbijdrage de man, uitgaande van die wettelijke maatstaven, aan de vrouw zou kunnen voldoen.

Onder de hiervoor genoemde omstandigheden is het hof van oordeel dat partijen onopzettelijk en niet bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven. Uit het voorgaande volgt dat de bestreden beschikking zal worden vernietigd. Het hof zal de door de man te betalen uitkering tot het levensonderhoud van de vrouw opnieuw beoordelen. (etc.)

Gerechtshof Amsterdam 29 september 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:4053