Ondanks slechte communicatie en aangifte wegens bedreiging met een mes toch gezamenlijk gezag

Het hof stelt voorop dat het ontbreken van een goede communicatie volgens vaste jurisprudentie niet zonder meer met zich brengt dat in het belang van de kinderen het gezag aan één van de ouders moet toekomen. Hetgeen de man en de vrouw over en weer hebben aangevoerd, levert een diffuus beeld op. Centraal staat echter, in zoverre zijn partijen het met elkaar eens, dat de man een wezenlijk contact met de kinderen nastreeft en waarmaakt en dat de vrouw hem bij het leven van de kinderen wil betrekken. De doorgaans goed verlopende contactregeling is hiervoor een belangrijke aanwijzing. De vraag is of er desalniettemin grond is om partijen niet gezamenlijk met het gezag over de kinderen te belasten. In dat verband is het volgende vermeldenswaard. Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting is gebleken dat partijen thans niet rechtstreeks met elkaar communiceren en dat in het verleden ingezette hulpverlening en mediation niet heeft geleid tot verbetering van de communicatieproblematiek. De vrouw heeft op 5 maart 2014 aangifte jegens de man gedaan van bedreiging met een mes op 9 februari 2014. De man ontkent dat dit heeft plaatsgevonden. Vaststaat dat de man daarvoor niet is vervolgd. Dit betekent dat, ook al ziet de vrouw dat anders, in dit geding niet zonder meer uitgangspunt kan zijn dat dit incident heeft plaatsgehad zoals zij het heeft geschetst. Het hof kan, hoewel daarvan in het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg van 10 december 2014 melding is gemaakt, uit het dossier verder niet afleiden dat sprake is van meerdere aangiftes door de vrouw jegens de man.

Op initiatief van de vrouw is hulpverlening op gang gekomen teneinde de vrouw te ondersteunen in de opvoeding van de kinderen. Het ligt in de bedoeling dat ook de man gebruik gaat maken van het hulpverleningsaanbod. De vrouw heeft baat gehad bij de geboden ondersteuning. Naar verwachting geldt hetzelfde te zijner tijd voor de man. Ook de kinderen hebben voordeel gehad van de door hen doorlopen training. Over hun ontwikkeling bestaat geen zorg, althans niet noemenswaardig. Voorts is gebleken dat de vrouw niet onwelwillend tegenover de man staat; zo heeft zij toestemming verleend aan de school van de kinderen om de man van informatie over de kinderen te voorzien en hem via haar vader het schoolrapport van [kind a] doen toekomen.

Gelet op de feiten en omstandigheden zoals hiervoor uiteengezet is het hof van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat bij het gezamenlijk uitoefenen van het gezag over de kinderen een onaanvaardbaar risico bestaat dat de kinderen klem of verloren raken tussen de ouders of dat afwijzing anderszins in hun belang noodzakelijk is. De omstandigheid dat partijen grote communicatieproblemen ervaren is daartoe onvoldoende, temeer daar de kinderen weerbaarder zijn geworden en er geen noemenswaardige zorgen zijn over hun huidige ontwikkeling. Daarnaast is van belang dat partijen een serieus voornemen hebben om gezamenlijke gesprekken te voeren met de gezinsmanager van Jeugdzorg teneinde hun communicatie te verbeteren. Het hof gaat ervan uit dat deze gesprekken voortgang zullen vinden en dat partijen daaraan zullen meewerken en eventuele adviezen zullen opvolgen. Gezien het voorgaande acht het hof het gelasten van een raadonderzoek, zoals door de Raad geadviseerd, niet in het belang van de kinderen en partijen. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen en het inleidend verzoek van de man partijen gezamenlijk met het gezag over de kinderen te belasten alsnog toewijzen.

Gerechtshof Amsterdam 17 november 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:4789