Geen afwijking huwelijkse voorwaarden. Koude uitsluiting.

Voor zover de gemeenschappelijke bedoeling van partijen al is geweest om hun vermogensrechtelijke verhouding in hun onderlinge relatie te regelen alsof zij in gemeenschap van goederen waren gehuwd, dan nog kan deze de tussen partijen overeengekomen huwelijkse voorwaarden niet vervangen. Een gemeenschappelijke partijbedoeling als hier aan de orde, die een stilzwijgend gesloten overeenkomst tussen echtgenoten inhoudt waarbij dezen de vermogensrechtelijke betrekkingen die tussen hen als echtgenoten zullen bestaan, regelen in afwijking van hetgeen tussen hen zonder die overeenkomst zou gelden, dient immers ook zelf te worden aangemerkt als huwelijkse voorwaarde in de zin van artikel 1:114 BW. Krachtens artikel 1:115 BW moeten huwelijkse voorwaarden op straffe van nietigheid bij notariële akte worden aangegaan. Deze notariële tussenkomst strekt mede tot bescherming van de partijen bij de op te stellen akte van huwelijkse voorwaarden. Daarom kan van conversie in een enkel tussen partijen geldende regeling geen sprake zijn.
Krachtens een overeenkomst van huwelijkse voorwaarden tussen partijen geldende regel is niet toepasselijk voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Bij de beantwoording van de vraag of bij de afrekening tussen voormalige echtelieden na ontbinding van het huwelijk op grond van redelijkheid en billijkheid dient te worden afgeweken van de huwelijkse voorwaarden, kan zeer wel belang worden gehecht aan onderling overeenstemmend gedrag tijdens het huwelijk, ook als dat gedrag afweek van de huwelijkse voorwaarden. Ter beoordeling hiervan is het navolgende van belang.
Partijen zijn op 26 februari 1983 verhuisd naar De Bronzen Eik te Sellingen. Zij zijn daar een recreatieboerderij gestart in de vorm van een besloten vennootschap. In verband met een eerder faillissement van de man zijn het onroerend goed en de onderneming op naam van de vrouw gesteld. Partijen hebben aanzienlijke inkomsten gerealiseerd met de opvang van asielzoekers in De Bronzen Eik. Partijen twisten over ieders aandeel in de werkzaamheden die de exploitatie van de recreatieboerderij meebracht. De Bronzen Eik B.V. is begin 1999 verkocht.
Alvorens partijen medio 2008 definitief uit elkaar zijn gegaan, hebben zij in 1999 ook al een periode gescheiden van elkaar geleefd. Ter zitting heeft de man de aanhoudende stelling van de vrouw beaamd dat hij ter gelegenheid van hun tijdelijke scheiding in 1999 ƒ 427.980,39 heeft ontvangen van de rekening-courant van De Bronzen Eik B.V. Het hof leidt hieruit af dat partijen bij de afrekening in 1999 (kennelijk) op grond van de redelijkheid en billijkheid vrijwillig zijn afgeweken van de ruim dertig jaren eerder tussen hen overeengekomen "koude uitsluiting".
Gesteld noch gebleken is dat het gezamenlijk vermogen van partijen in 1999 meer bedroeg dan tweemaal het aan de man uitgekeerde bedrag van ƒ 427.980,39. Nu over de afzonderlijke bestanddelen noch over de totale omvang van het vermogen in 1999 exacte duidelijkheid is verschaft, gaat het hof ervan uit, mede gelet op de stellingen van partijen, dat het toen aanwezige vermogen gelijkelijk tussen partijen is verdeeld.
De vrouw heeft verder gesteld dat partijen, nadat zij in 2002 weer bij elkaar waren gekomen, de vermogens die aan ieder van hen in 1999 waren toegescheiden apart hebben gehouden en dat zij sindsdien hebben geleefd overeenkomstig de uit 1965 daterende huwelijkse voorwaarden. De man heeft hier niets tegenin gebracht.
Op grond van de onbetwiste stelling van de vrouw, gaat het hof ervan uit dat sinds de hereniging van partijen in 2002 geen boedelmenging meer heeft plaatsgevonden en dat de goederen en schulden van de man respectievelijk de vrouw sedertdien privé zijn gebleven.
Het vorenstaande brengt mee dat, ook al zou daar juridisch gezien ruimte voor zijn, tussen partijen feitelijk niets meer te verrekenen valt. Reeds daarom komt het hof niet toe aan het buiten toepassing laten van artikel 1 van de huwelijkse voorwaarden wegens strijdigheid met de maatstaven van redelijkheid en billijkheid, zoals de man primair heeft gesteld.
De man wenst subsidiair een vergoeding van de vrouw van € 2.000,- netto per maand over de periode van maart 1983 tot en met december 1994 ter zake van arbeidsbeloning.
Wanneer in het geval van uitsluiting van iedere gemeenschap mede door de inspanningen van de ene echtgenoot het vermogen van de andere echtgenoot is vermeerderd, rijst de vraag of eerstgenoemde op een deel van de vermogens-vermeerdering aanspraak kan maken. Een dergelijke aanspraak kan niet worden gegrond op art. 1:81, noch op ongerechtvaardigde verrijking of de redelijkheid en billijkheid zonder meer. Wel is denkbaar dat de redelijkheid en billijkheid derogeren aan hetgeen uit de huwelijkse voorwaarden voortvloeit. De enkele omstandigheid dat door arbeidsinspanningen van de een het vermogen van de ander is toegenomen, is daarvoor echter onvoldoende.
Gerechtshof Leeuwarden, 15 april 2010, LJN
BM1514