Kinderalimentatie. Gelijke rang stiefouder. Gelijke verdeling kosten van het kind.

Het hof overweegt dat, gelet op het huwelijk van de vrouw en de stiefvader en het gegeven dat [de minderjarige] deel uitmaakt van het gezin van de stiefvader, de stiefvader ingevolge het bepaalde in artikel 1:395 van het Burgerlijk Wetboek onderhoudsplichtig is jegens [de minderjarige] . Wanneer de onderhoudsplicht van de stiefouder samenvalt met die van de ouder van het kind, zijn hun verplichtingen in beginsel van gelijke rang. Ten aanzien van de omvang van de onderhoudsverplichting van de stiefvader acht het hof het van belang dat de man de biologische vader is van [de minderjarige] , dat [de minderjarige] thans sinds enige jaren in gezinsverband leeft met de stiefvader, dat zowel de man als de stiefvader in staat is om volledig te voorzien in de kosten van [de minderjarige] en dat de inkomens van de man en de stiefvader nagenoeg gelijk zijn; evenzo de daarbij behorende draagkracht van de man en de stiefvader. Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat de kosten van [de minderjarige] , na aftrek van het aandeel van de vrouw van € 25,- per maand, gelijkelijk moeten worden verdeeld over de man en de stiefvader. Het aandeel van de man in de kosten van [de minderjarige] bedraagt dan € 345,- per maand.

Gerechtshof Amsterdam 23 februari 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:615