Omgangsregeling en dwangsommen

Het hof deelt het oordeel van de rechtbank dat het opleggen van dwangsommen op zijn plaats is, gezien de uitspraak van de moeder ter zitting in eerste aanleg dat zij onder geen beding zal meewerken aan onbegeleid contact tussen de vader en [dochter] . Het hof overweegt voorts dat de moeder in de kerstvakantie geen medewerking heeft verleend aan de uitvoering van de vakantieregeling en dat er bij de moeder ook thans nog veel weerstand is tegen de onbegeleide contacten tussen de vader en [dochter] , ondanks het gegeven dat zij daaraan feitelijk haar medewerking verleent.

Bovendien hebben de ouders laten zien wel degelijk in staat te zijn om in onderling overleg af te wijken van de vastgestelde zorgregeling, zodat het hof de stelling van de moeder dat er ten gevolge van de opgelegde dwangsom geen enkele mogelijkheid is om, als het echt niet goed gaat met [dochter] , de omgang een keer te wijzigen of zelfs niet door te laten gaan, wegens het ontbreken van een feitelijke grondslag passeert.

Het hof heeft wel de verwachting dat na de kerstvakantie, derhalve per 4 januari 2016, de regeling zoals door de rechtbank is vastgesteld een zodanige mate van bestendigheid zal hebben gekregen dat voor de tenuitvoerlegging daarvan geen dwangsommen meer nodig zullen zijn. Het hof betrekt in dit oordeel dat van de ouders in de tussentijd mag worden verwacht dat zij zich tot het uiterste inspannen om hun communicatie te verbeteren en toe te werken naar wederzijds vertrouwen en respect.

Gerechtshof Den Bosch, 23 juli 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:2793