Vrouw is - in dit specifieke geval - niet gehouden de helft van de schuld en de kosten van de echtelijke woning die partijen gezamenlijk toebehoort te voldoen.

Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is de vrouw niet op grond van artikel 3:172 BW, maar op grond van artikel 6:10 lid 1 BW gehouden voor de helft bij te dragen in de schuld en de kosten van de echtelijke woning die partijen gezamenlijk toebehoort. Nu de man niet de helft maar de volledige voormelde kosten heeft voldaan, zijn de man en de vrouw in deze kwestie schuldeiser en schuldenaar ten opzichte van elkaar. Op grond van artikel 6:2 lid 1 BW zijn partijen verplicht zich jegens elkaar te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid en is op grond van lid 2 van genoemd wetsartikel een tussen hen krachtens wet, gewoonte of rechtshandeling geldende regel niet van toepassing, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Het hof is van oordeel dat de omstandigheden van het onderhavige geval maken dat het naar die maatstaven onaanvaardbaar is dat de vrouw de helft van de kosten alsnog dient te voldoen aan de man en dat moet worden afgeweken van het algemene uitgangspunt dat ieder voor de helft dient bij te dragen. Uit de door partijen overgelegde stukken blijkt dat de man geen verweer heeft gevoerd tegen het verzoek van de vrouw in voorlopige voorzieningen omtrent het voldoen van de kosten, maar dat de voorzieningenrechter dit verzoek ambtshalve heeft afgewezen. De man heeft voorts de stelling van de vrouw dat de door haar verzochte bijdrage van € 1.000,- was gebaseerd op een situatie inhoudende dat de man deze kosten volledig voor zijn rekening nam, niet betwist. Kennelijk heeft destijds nimmer ter discussie gestaan dat de man de kosten van de hypotheekrente en de eigenaarslasten OZB volledig zou voldoen. Uit de door de overgelegde financiële gegevens kan worden afgeleid dat de vrouw gedurende de periode dat zij een bijdrage van de man van € 1.000,- bruto per maand ontving, over onvoldoende financiële middelen beschikte om de helft van deze kosten te kunnen voldoen, terwijl de man gedurende die periode wel in staat was om deze kosten te voldoen. Daarom acht het hof de achtste grief van de vrouw gegrond en zal het verzoek van de man in eerste aanleg om te bepalen dat de vrouw de helft van de hypotheekrente en de helft van het eigenaarsdeel van de OZB aanslagen (terug)betaalt over de periode vanaf de peildatum tot het huis zal zijn verkocht alsnog volledig worden afgewezen.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21 juli 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:5461