Ontzegging van de omgang voor de duur van de detentie.

Het hof acht deze steun (van moeder pvh) onontbeerlijk nu de minderjarige - thans 8 jaar oud - voor haar verzorging geheel afhankelijk is van de moeder en het een kwetsbaar meisje betreft die in haar jonge leven al heel veel te verwerken heeft gekregen. Het hof is van oordeel dat een gedwongen omgangsregeling dan ook ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van de minderjarige, dan wel anderszins in strijd is met haar zwaarwegende belangen. Het hof betrekt daarbij dat de vader weigert mee te werken aan een onderzoek in het kader van tbs.

Gegeven de kwetsbaarheid van de minderjarige en de veelheid van procedures die de afgelopen jaren tussen partijen hebben gespeeld, acht het hof het in het belang van de minderjarige noodzakelijk dat er thans rust in het gezin komt. Het hof is dan ook van oordeel dat in dit specifieke geval een ontzegging van de omgang voor de duur van de detentie van de vader op zijn plaats is.

Gerechtshof Den Haag 6 april 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:1041