Verzoek tot verlenging van partneralimentatie indien er na ommekomst van de termijn van 12 jaar nog feiteijke betalingen zijn verricht.

De Hoge Raad maakt in deze uitspraak een einde aan de praktijk van de adviezen van advocaten die stellen dat de alimentatieplichtige beter drie maanden na ommekomst van de termijn van 12 jaar kan doorbetalen om zo gevrijwaard te blijven van een eventueel verzoek van de aimentatiegerechtigde tot verlenging van alimentatie. Het is duidelijk dat deze praktijk erop gericht is om de alimentatiegerechtigde te misleiden. Met deze uitspraak komt de bedrieger bedrogen uit. De Hoge Raad oordeelt als volgt:

Wanneer nog wel een of meer betalingen hebben plaatsgevonden dan zal ervan moeten worden uitgegaan dat aan die betalingen een stilzwijgende overeenkomst tot het laten voortduren van de alimentatieplicht ten grondslag ligt, tenzij de alimentatieplichtige bij de betaling meedeelt dat daaraan een andere titel ten grondslag ligt. Bij gebreke van een dergelijke mededeling vangt de termijn van drie maanden van het vijfde lid van art. 1:157 BW aan op het moment van de laatste betaling.

Hoge Raad 21 mei 2010, LJN BL9543