Verzoek benoeming door partij om een onafhankelijk deskundige in zaken rondom ondertoezichtstelling. Wanneer mag dit worden geweigerd?

Art. 810a lid 2 Rv bepaalt dat de rechter in zaken betreffende de ondertoezichtstelling van minderjarigen, de ontheffing en ontzetting van het ouderlijk gezag, of de ontzetting van de voogdij, op verzoek van een ouder en na overleg met die ouder een deskundige benoemt, mits dat mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet. Met deze bepaling is beoogd te bevorderen dat ouders van minderjarigen een standpunt van de Raad voor de Kinderbescherming in een zaak over een maatregel van jeugdbescherming die wezenlijk ingrijpt in de persoonlijke levenssfeer en het familie- en gezinsleven, desgewenst gemotiveerd kunnen weerspreken (Kamerstukken II 1993-1994, 22 487, nrs. 15 en 18; Handelingen II 1993-1994, p. 4135-4161).

Een voldoende concreet en terzake dienend verzoek tot toepassing van art. 810a lid 2 Rv, dat feiten en omstandigheden bevat die zich lenen voor een onderzoek door een deskundige, zal in beginsel moeten worden toegewezen indien de rechter geen feiten of omstandigheden aanwezig oordeelt op grond waarvan moet worden aangenomen dat toewijzing van het verzoek strijdig is met het belang van het kind.

Het gerechtshof had het in de ogen van de Hoge Raad in deze zaak verkeerd gedaan. Het had als volgt overwogen:

Het hof acht zich op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting voldoende voorgelicht om een verantwoorde beslissing te nemen: een nader onderzoek, zoals door de moeder verzocht, kan niet mede tot de beslissing van de zaak leiden. Anders dan de moeder ziet het hof in de kwaliteit en de wijze van totstandkoming van het raadsrapport geen aanleiding tot een nader onderzoek.

De Hoge Raad oordeelde hierover als volgt:

Voor zover het hof heeft geoordeeld dat het zich op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting voldoende voorgelicht acht om een beslissing te nemen, respectievelijk dat de kwaliteit en de wijze van totstandkoming van het raadsrapport geen aanleiding geven tot een nader onderzoek, heeft het miskend dat noch het een noch het ander de afwijzing van een verzoek op de voet van art. 810a lid 2 Rv rechtvaardigt.

Voor zover het hof heeft geoordeeld dat een nader onderzoek, zoals door de moeder verzocht, niet mede tot de beslissing van de zaak kan leiden, is dit oordeel onbegrijpelijk. Daarbij is van belang dat de moeder voor het hof heeft aangevoerd dat het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming de beslissing over de ondertoezichtstelling niet kan dragen, en daarbij rapporten van door haar geraadpleegde deskundigen heeft overgelegd waarin bevindingen uit het raadsrapport gemotiveerd in twijfel worden getrokken.

Noot: Uit deze uitspraak valt af te leiden dat een goed gemotiveerde betwisting van een raadsrapport (in dit geval onderbouwd met stukken van andere deskundigen) kan leiden tot benoeming van een deskundige op verzoek van een ouder. De rechter kan niet eenvoudig stellen dat zij voldoende voorgelicht is zoals het Hof in deze zaak had gedaan. De Advocaat-Generaal van de Hoge Raad had in de conclusie al het volgende gezegd: “In art. 810a lid 2 Rv gaat het om de vraag of de moeder, die het duidelijk niet eens was met de gevolgtrekking van de Raad voldoende gelegenheid heeft gehad om weerwoord te bieden aan hetgeen de Raad en zijn deskundigen hadden aangevoerd over de noodzaak van de verzochte ondertoezichtstelling. Het beginsel van equality of arms, een onderdeel van het in art. 6 lid 1 EVRM bedoelde recht op een eerlijk proces, wordt in vaste rechtspraak van het EHRM omschreven als: “(…) each party must be afforded to be given a reasonable opportunity to present his or her case − including evidence − under conditions that do not place him/her at a substantial disadvantage vis-à-vis his/her opponent.

Hoge Raad 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2632