Uitleg inkomensbegrip huwelijkse voorwaarden. Komen dividenduitkeringen voor verrekening in aanmerking? Grievenstelsel.

De verwijzing naar de op het tijdstip van het aangaan van de huwelijkse voorwaarden toepasselijke Wet op de Inkomstenbelasting 1964 leidt tot een inkomensbegrip dat vrij ruim is. Van enig voorbehoud ten aanzien van bepaalde soorten inkomsten - de Wet IB 1964 onderscheidt immers verschillende soorten inkomsten - blijkt uit de tekst van de huwelijkse voorwaarden niet. Dit brengt met zich dat, overeenkomstig artikel 4 lid 1, Wet IB 1964 het “onzuivere inkomen” bestaat uit de inkomstencategorieën:
winst uit onderneming (artikel 6 e.v.)
zuivere inkomsten (artikel 21)
- uit arbeid: alle niet als winst uit onderneming aan te merken voordelen die worden genoten:
1. als loon uit dienstbetrekking;
2. uit niet in dienstbetrekking verrichte werkzaamheden en diensten, daaronder begrepen het houden van kostgangers, alsmede het productief maken of vervreemden van een auteursrecht of een octrooi.
- uit vermogen (artikel 24-29a)
- of in de vorm van bepaalde periodieke uitkeringen en verstrekkingen (artikel 30e.v.)
winst uit aanmerkelijk belang.

Het inkomensbegrip in de onderhavige huwelijksvoorwaarden dient te worden uitgelegd aan de hand van de bepaling zelf, van de zin die partijen over en weer daaraan redelijkerwijs mochten toekennen en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn welke rechtskennis van partijen kan worden verwacht (HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635).

De rechtbank overweegt ter zake dat winst uit onderneming niet in de verrekening dient te worden betrokken.
Hiertegen is door geen van beide partijen een grief tegen gericht zodat tussen partijen vast staat dat deze winst niet in de verrekening dient te worden betrokken. De vraagt rijst thans of een dividenduitkering die op grond van de Wet IB 1964 niet is aan te merken als winst uit onderneming eveneens niet dient te worden begrepen als in het tussen partijen overeengekomen inkomensbegrip.

Nu partijen het erover eens zijn dat de aandelen in de besloten vennootschap buiten de verrekening blijven en de winst uit onderneming niet onder het verrekenbeding valt, brengt een redelijke uitleg eveneens met zich mede dat in dit geval de dividenduitkeringen niet tot het te verrekenen vermogen behoren. Hier is immers sprake van winst gerealiseerd door de onderneming van de rechtspersoon waarvan de man alle aandelen houdt en waarvan de winst aan hem wordt uitgekeerd door middel van dividenduitkeringen.

Gerechtshof Den Haag 29 juli 2015,
ECLI:NL:GHDHA:2015:2566